Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rapaille - (gepeupel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rapaille [gepeupel] {rappailge, raspeele [samenraapsel, gepeupel] 1437} < oudfrans raspaille [uitvaagsel], verwant met latijn rasilis [glad geschoren], van radere (verl. deelw. rasum) [schrapen]; het oudfr. equivalent rascaille werd tot engels rascal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rapalje znw. o. bij Kiliaen raepalie en laat-mnl. rappailge, naast raspaelge, raspeel ‘boef, vagabond’, Kiliaen respeel (Fland.) ‘deugniet’ < ofra. raspaille, raspailge naast rascaille (nfra. racaille). Of dit varianten van eenzelfde woord zijn, is niet duidelijk; de verklaring biedt ook moeilijkheden. Terwijl men racaille met vulg. lat. *rasicāre ‘krabben’ (vgl. prov. rasca ‘schurft’) verbindt, kan men raspaille als een afl. van ofrank. *raspōn ‘uitplukken, raspen’ beschouwen (vgl. ofra. rasper).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rapalje znw. o. Kil. raepalie, laat-mnl. rappailge v. “rapalje”, waarnaast laat-mnl. oudnnl. raspaelge, raspeel “boef, vagebond”, Kil. “respeel. Fland. Nebulo, nequam” (nog zuidndl. dial. raspa(i)l “rapalje”). Uit ofr. raspaille, raspailge, naast fr. racaille “rapalje”. De vorm op -eel berust op suffixverandering ’t zij in ’t Ndl. of Fr. De vormen met sp (waaruit pp) zullen wel in aansluiting aan ofr. rasper (zie rasp) ontstaan zijn; de oorsprong van fr. racaille is onzeker. Mnd. rapalie “rapalje” wsch. uit ’t Mnl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rapalje. Uit ofr. rascaille (> fr. racaille) eng. rascal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rapalje o., uit Fr. rapaille, Ofra. raspaille: misschien bij râper: z. rasp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rapaille verouderd, (zn.) gepeupel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) rapailles, rapalje, Middelnederlands rappailge <1437> < Aajdfrans raspaille.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rabbezaai, rab(be)zooi, rebzjie, repzaai, zn.: janhagel, tuig; minderwaardige kost, uitschot (van groenten, fruit). Door metathesis sp/bz uit Ofr. raspaille ‘uitvaagsel’, afl. van Onl. *raspôn ‘raspen’, waaruit ook rapaille. Wvl. raspeel, respeel ‘booswicht, boef’ < Mnl. raspalge, raspeele, respeelle ‘samenraapsel; boef, landloper, vagebond’, Vnnl. respeel ‘nietswaardige’ (Kiliaan). Ww. rabzooien ‘stoeien’ ongetwijfeld o.i.v. rotzooien.

raspal, zn.: janhagel, tuig; uitschot (ook van zaken). Br. raspaj. Wvl. raspeel, respeel ‘booswicht, boef’ < Mnl. raspalge, raspeele, respeelle ‘samenraapsel; boef, landloper, vagebond’, Vnnl. respeel ‘nietswaardige’ (Kiliaan). Ofr. raspaille ‘uitvaagsel’, afl. van Onl. *raspôn ‘raspen’. Hieruit ook rapaille.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

gaspai, zn.: gemeen volk, uitschot; bende. Wellicht via huig-r uit Ofr. raspaille, Mnl. raspalge, respeelle ‘samenraapsel, landloper, vagebond’.

rappelepalie, zn.: tuig, gepeupel. Verhaspeling door reduplicatie van rapaille.

raspaj, raspeule, zn.: janhagel, tuig. Wvl. raspeel, respeel ‘booswicht, boef’ < Mnl. raspalge, raspeele, respeelle ‘samenraapsel; boef, landloper, vagebond’, Vnnl. respeel ‘nietswaardige’ (Kiliaan). Ofr. raspaille ‘uitvaagsel’, afl. van Onl. *raspôn ‘raspen’. Hieruit ook rapaille.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

respeel, raspeel deugniet (West-Vlaanderen). « fra. raspaille ‘gespuis’ (» nl. rapalje).
De Bo 807.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

raspaillie (K), zn. o. rispeie (K), zn. v.: rasphuis, werkhuis, tuchthuis voor landlopers. Contaminatie van rasphuis, waar landlopers hout met raspen moesten fijnzagen, en Ofr. raspaille, Mnl. raspalge, respeelle ‘samenraapsel, landloper, vagebond’.

raspeel, respeel (DB), zn. m.: deugniet, schelm, booswicht, boef. Mnl. raspalge, raspeele, respeelle ‘samenraapsel; boef, landloper, vagebond’, Vroegnnl. respeel ‘nebulo, nequam’. Ofr. raspaille ‘uitvaagsel’, afl. van Ofrank. *raspôn ‘raspen’. Hieruit ook rapaille.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rapallie: gepeupel; Ndl. rapalje (Mnl. rappailge/raspalge, by Kil raepaelie, dial. wv.) uit Ofr. raspailge (Fr. racaille, (ouer) rascaille), hou verb. m. Eng. rascal.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

rapalje, rapaille: slecht volk, gepeupel, gespuis. Van het Oudfranse woord raspaille (uitvaagsel). Sedert ca. 1437. Vgl. canaille* en journaille*.

’t Milieu is voor dien jongen bovendien héél ongunstig geweest, daar op dat armzalige hofje in die buurt met al dat rapaille; met zoo’n zenuwachtige, kijvende moeder… (M.J. Brusse, Boefje, 1903)
Amper ligt de boot stil, of je hebt de handen vol met je te verweren tegen het havenrapalje. (Marcellus Emants, Mensen, 1920)
Dat rapaille van artisten maakt zelfs een nette zaak als deze onveilig. (Maurits Dekker, Amsterdam, 1931)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rapaille gepeupel 1437 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut