Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rank - (slank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rank 2 bn. ‘slank en fijngebouwd’
Mnl. ranc ‘smal en lang’ in drie gherden smal ende ranck ‘drie twijgen, dun en smal’ [1438; MNW].
Mnd. rank ‘slank’; oe. ranc ‘hoogmoedig, ijdel, moedig’; on. rakkr ‘rechtopstaand’; < pgm. *ranka-. Hierbij horen wrsch. ook ablautend: os. rink ‘man’; oe. rinc ‘id.’; on. rekkr ‘id.’. Al deze betekenissen kunnen gecombineerd worden als de oorspr. betekenis ‘rechtopstaand’ is, vanwaar enerzijds ‘fier’ > ‘hoogmoedig’ en anderzijds ‘lang’ > ‘slank’.
Wrsch. horend bij de wortel van *h3reǵ- van het bn.recht 1. De nasaal heeft dan een werkwoordelijke herkomst (nasaalpresens; Heidermanns 1993: 437), vergelijk Litouws ręžti ‘spannen’ en Sanskrit ṛñjate ‘zich vooruitstrekken’. Een werkwoord bij deze wortel met nasaal is in het Germaans echter niet aangetroffen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rank3* [slank] {ranc [dun, spichtig] 1410} van middelnederlands ranken [zich uitrekken, de kaken uitrekken c.q. geeuwen], genasaleerde nevenvorm van rekken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rank 3 bnw., mnl. ranc ‘slank, dun’, mnd. rank, ‘slank’, oe. ranc ‘hoogmoedig, ijdel, moedig’, on. rakkr ‘rechtopstaand’. Daarnaast met abl. os. oe. rinc, oi. rekkr ‘man, held’ (Holthausen IF 32, 1913, 337). — Behoort tot dezelfde groep als rekken (IEW 857).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rank II bnw., mnl. ranc “dun, slank”, = mnd. rank “id.”, ags. ranc “hoogmoedig, ijdel, moedig”, on. rakkr “rechtopstaand”. Evenals lit. rą́żas “bladerloos, dun takje”, rążau, rążyti “rekken”, isz-si-rę́żti “zich uitrekken” van den genasaleerden vorm van de bij rekken besproken basis. Met praesensnasaal vgl. oi. ṛñjáti “hij rekt zich”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rank II bnw. Wellicht met ablaut hierbij os. ags. rinc, on. rekkr m. ‘man, held’. Holthausen IF. 32, 337.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rank 3 bijv.(tenger), Mnl. ranc + Hgd. rank, Ags. ranc, On. rakkr (Zw. en De. rank), gevormd als rank 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2rank b.nw. (deftig)
Fyn gebou, lenig, slank.
Uit Ndl. rank (Mnl. ranc). Mnl. ranc is 'n genasaleerde wisselvorm van rekken 'rek' (sien 2rek).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rank II: dun, fyn, skraal; Ndl. rank (Mnl. ranc, “dun, slank”) hou wsk. verb. m. Oeng. ranc, “hoogmoedig”, en m. rinc, “man, held” – iets daarvan behou in veroud. Eng. rank, “trots; snel”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rank ‘slank’ -> Deens slank ‘onstabiel (van schepen)’; Noors rank ‘slank’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch † rank ‘onstabiel (van schip)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rank* slank 1410 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut