Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rank - (stengel van klimplant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rank 1 zn. ‘uitloper van een plant’
Mnl. ranke ‘uitloper van een plant, i.h.b. de druif’ in de ranken seluerin diere ende ward ‘de zilveren wijnranken (waren) kostbaar en waardevol’ [1285; VMNW].
Oorspronkelijk alleen Nederlands en Duits. In enkele middeleeuws-Latijnse glossaria uit de 7e en 8e eeuw komt daarnaast de vorm hranca ‘wijnrank’ voor, wat een Germaans leenwoord moet zijn; ook enkele Noord- en West-Franse dialecten hebben woorden die hierop teruggaan. De Germanen hebben de wijnbouw echter van de Romeinen leren kennen en het Germaanse woord moet dus oorspr. iets anders hebben betekend.
Herkomst onduidelijk. Middeleeuws Latijn hranca wijst op een historische anlaut *hr-. Het meest wrsch. is verband met on. hrøkkva ‘zich krommen’ < pgm. *hrenkwan- (FvWS), hoewel dat alleen Noord-Germaans is en een onbekende herkomst heeft. Een andere mogelijkheid is verband met het bn.rank 2 ‘smal en lang’, maar dat woord heeft een historische anlaut r-. Een derde mogelijkheid is verband met mhd. ranc ‘snelle draaiende beweging’ (nhd. zuidelijk en Zwitsers Rank ‘bocht in een weg’), dat verwant is met → wringen en waarvan de anlaut dus teruggaat op pgm. *wr-. Ook hiervoor geldt dus hetzelfde bezwaar van de tegenstrijdige anlaut.
Mnd. rank(e) (vanwaar nzw. ranka); mhd. ranc (nhd. Ranke).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rank1* [stengel van klimplant] {ranke, ranc [lange dunne twijg] 1285} evenals rank3 [slank], van middelnederlands ranken [zich uitrekken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rank 1 znw. v. ‘stengel van een klimplant’, mnl. ranke, rank, mnd. wīnranke (in de 16de eeuw > nde. ranke, nzw. ranka), nhd. ranke. — In mlat. glossaria van de 7de en 8ste eeuw komt hranca ‘vitis alba’ voor en dit woord leeft ook in west- en noordfra. dialecten, vgl. friaul. rankulìn ‘wijnrank’ (Meyer-Lübke WS 6, 1914, 320). Het is een oud cultuurwoord van de hopteelt en wijnbouw, maar waar het vandaan komt is onduidelijk.

v. Haeringen 135 vermoedt verband met on. hrøkkva ‘zich krommen’ (< *hrenkwan) en hrukka v. (< *hrunkwōn) ‘rimpel’ (alleen in chr. geschriften), verder mhd. runke v. ‘rimpel’ en met s- Kiliaen schrincken ‘samentrekken, doen krimpen’, waarvoor zie verder onder: schrompelen. Dan duidt het woord dus op het kronkelen van de rank. — Zie ook: rijs.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rank I (twijg), mnl. ranke v., rank(e) m. = mnd. ranke m., nhd. ranke v. “rank”. Uit het Du. de. ranke, zw. ranka “id.”. Verwant met rank II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

rank I (twijg). De mlat. glosse (7e-8e eeuw) hranca ‘vitis alba’, waarop Meyer-Lübke WuS. 6, 230 wijst, noopt ons dit woord van rank II te scheiden. M.-L. denkt aan verwantschap met oi. çr̥ŋga- ‘hoorn’ (zie hoorn). Meer voor de hand ligt de combinatie met on. hrøkkva ‘krullen, rimpelen’, hrukka v. ‘rimpel’, mhd. runke v. ‘id.’, waarbij met idg. s- ook wel Kil. schrincken (vetus. Fland.) ‘samentrekken, doen krimpen’, ags. scrincan ‘zich samentrekken, verwelken’ (eng. to shrink) enz. (zie bij schrompelen) en de bij schrank vermelde woorden worden gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rank 1 v. (scheut), Mnl. ranke + Hgd. ranke + Lit. rążas = twijgje, rążyti = rekken: van een genasaleerden bijvorm van rekken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1rank s.nw.
1. Uitloper van 'n klimplant. 2. Uitloper van 'n plant, loot.
Uit Ndl. rank (al Mnl.). Oorspr. as term in die hop- en wynbou gebruik.
D. Ranke, Deens ranke, Sweeds ranka.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rank I: spruit(sel), stingel, takkie; Ndl. rank (Mnl. rank/ranke), Hd. ranke, uit Ll. hranca, in bet. “vitis alba” (d.w.s. “wit wingerdstok”), wsk. deur die wynbou uit Italië en Frankryk; uit rank d. denom. ww. Ndl. en Hd. ranken, Afr. rank.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rank (van planten), verwant met rank = dun; dus: een dunne loot. Anderen denken aan ’t Germ. wrenk, wreng = heen en weer draaien, in welk geval rank bet.: het ronddraaiende takje; ook zou, volgens die meening, het bijv.nw. rank (= dun, uitgestrekt) hiervan afgeleid zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rank ‘stengel van klimplant’ -> Deens ranke ‘stengel van klimpant; versiering, slinger’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ranke ‘stengel van klimplant’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ranka ‘stengel van klimplant’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rank* stengel van klimplant 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut