Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

randdebiel - (domme)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

randdebiel, randmongool: (vnl. jeugdtaal) onnozel, dom persoon; debiel*.

Als ik tegen zo’n randmongool moet vechten, denk ik weleens: ik kap d’r mee, ik steek m’n handen omhoog en ik loop weg. (Hans Moll, De hoeken van de ring, 1987)
Waar ik aan de universiteit ook maar terechtkom, verzamelen zich na een poosje alle weirdo’s, alle randdebielen, alle Jan Doedels om mij heen. (Maarten ’t Hart, De unster, 1989)
Welke randdebiel heeft er nu een poncho aan met dit weer… (Chris Bos, De woede van de bassist, 1992)
Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

randdebiel, informele jeugdtaal voor ‘onhandig iemand; iemand die zich vreemd gedraagt’. Ook wel randmongool.

‘Ik mot,’ brieste Frank, ‘gotverdomme geen kulassiek van een gehersuspoeldeh randdebiel van fan Breukhovu. (Oor, 30/11/91)
Maar met de eerste interviews heb ik al gemerkt dat het schijnbaar niet zo werkt. Dan denk je: zijn wij zo’n stel randdebielen? (Nieuwe Revu, 28/10/92)
Welke randdebiel heeft er nu een poncho aan met dit weer,.. (Chris Bos: De woede van de bassist, 1992)
Mocht je je standje in een hal hebben staan met twee van dat soort randdebielen, dan kun je je lol wel helemaal op. (PC-Active, mei 1997)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut