Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rammelen - (hoorbaar schudden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rammelen ww. ‘ratelen; schudden; slecht geconstrueerd zijn’
Mnl. in de afleiding rammelart (eigennaam) [1242; GN], rammelen ‘rinkelen, ratelen, schudden’ in dat winket van der poorten, dat so lude rammelde, dat ... ‘het deurtje in de poort, dat zo luid rammelde, dat ...’ [1400-50; MNW]; vnnl. rammelen ‘lawaai maken, schudden’ in staen rammelen aende deure [1504; MNW], ‘rommelen, geluid maken door honger’ in den buyc sal hem rammelen [1514; MNW]; nnl. rammelen ook overdrachtelijk ‘niet goed in elkaar zitten’ in een stuk waarin geen algemeene harmonie is ... het rammelt [1815; WNT].
Rammelen is een variant van → rommelen ‘een zeker soort geluid voortbrengen’, een klanknabootsend woord.
Ne. (dial.) ramble ‘rammelen, rommelen’; ozw. rambla ‘lawaai maken’ (nzw. ramla ‘vallen, neerstorten’), nde. ramle ‘in elkaar storten/donderen’.
rammelaar 2 zn. ‘rinkelend babyspeelgoed’. Vnnl. 't rammelaartje ‘het rinkelspeeltje’ [1682; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -aar van rammelen ‘ratelen, schudden’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rammelen1* [ratelen] {1528} klanknabootsende vorming, vgl. rommelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rammelen 1 ww. ‘een geluid maken’, mnl. rammelen ‘rammelen, babbelen’, fri. rammelje ‘rammelen, ratelen’, nde. ramle ‘met lawaai vallen’, nzw. ramla ‘lawaai maken, luid praten’, zonder iteratief-suffix nzw. dial. ramma, raina ‘lawaai maken, met lawaai vallen’. — Daarnaast rommelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rammelen ww., mnl. rammelen “rammelen, babbelen” = fri. rammelje “rammelen, ratelen”, de. ramle “met lawaai vallen”, zw. ramla “id.”. Een jonge woordfamilie, onomatop. evenals rabbelen. Bij ’t opkomen kan rommelen invloed hebben gehad.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rammelen 2 ono.w. (gerucht maken), bijvorm van rommelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rammel ww.
1. Lelike, trillende klank voortbring. 2. Onophoudelik praat, klets.
Uit Ndl. rammelen (al Mnl.), wat ontstaan het as 'n wisselvorm van rommelen (sien 2rommel).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ram’melen (rammelde, heeft gerammeld), (ook:) aframmelen, een pak slaag geven. Sommige mannen rammelen hun vrouw bijna elke dag, vooral als ze dronken zijn (Doelwijt 1971: 17). - Syn. aftakelen*, de bouten* wassen, de mars* breken, prieten*, rossen* (1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rammel: geluid maak (gew. v. d. maag gesê); (in ss. met af-), haastig en slordig aflees of opsê; Ndl. rammelen (Mnl. rammelen) hou verb. m. Ndl. rommelen, Eng. rumble, wsk. kn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rammelen ‘ranselen’ -> Petjoh raml'n, rammelen ‘een pak slaag geven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rammelen* ratelen 1528 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut