Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ramkoers - (koers naar een aanvaring)

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ramkoers, aan het zeewezen ontleende metafoor voor ‘aanvaring; harde confrontatie; onverzoenlijke houding’. Ook in de uitdrukking op ramkoers zitten, liggen ‘in aanvaring komen; een conflict tegemoet gaan’.

Hij wilde daarom nog voor de enquêtecommissie haar rapport begin vorige week publiceerde al op ‘ramkoers’. Maar binnen het CDA had men andere zorgen. (NRC Handelsblad, 9/9/88)
Ik moet bij hiernaast op ramkoers maar het zal zijn of het met jou is. (Heere Heeresma: Eén robuuste buste, 1989)
Maar duidelijk is wel dat Van den Broeck en de CDA-fractie wat dit betreft op ramkoers liggen. (De Volkskrant, 9/10/92)
Het wekt de indruk alsof de christen-democraten op ramkoers liggen. (Vrij Nederland, 18/4/92)
De ramkoers die steeds meer partijgenoten propageren, past niet bij iemand die het van de warmte en vredelievendheid moet hebben. (HP/De Tijd, 04/04/97)
Vlak voordat ook de ministers met vakantie gaan, wil Hans Dijkstal laten zien dat hij — ondanks de schijn van het tegendeel — greep heeft op zijn zaken. De minister van Binnenlandse Zaken overweegt zelfs ‘een ramkoers’, zeggen zijn ambtenaren dreigend. (Elsevier, 12/07/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal