Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

raggen - (wild heen en weer lopen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raggen* [wild heen en weer lopen] {1836} etymologie onzeker, mogelijk verwant met hoogduits regen [bewegen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raggen ww. ‘wild heen en weer lopen, ravotten; ook van tochtige dieren’ (Gelderl. Overijsel), waarnaast raggelen (Drente) ‘roeren, omroeren’ (J. Naarding NT 50, 1957, 37). Dat dit raggen een doublet van ragen zou zijn (A. Weynen, Taaltuin 8, 1939-40, 326-330) is weinig waarschijnlijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rakken 1, ww.: jakkeren, jagen. Intensivum naast Br. raggen ‘wild heen en weer lopen, stoeien van tochtige dieren, bespringen van een tochtig rund, tegen iets aan schuren’. Vgl. Drents raggelen ‘roeren’. Verwant met D. regen ‘bewegen’?

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

raggen, rakken, ww.: wild heen en weer lopen, stoeien van tochtige dieren, bespringen van een tochtig rund, tegen iets aan schuren. Var. rakken is een intensivum. Verwant met D. regen ‘bewegen’?

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

raggen ww.: wild heen en weer rennen, stoeien, ravotten. Verwant met D. regen ‘bewegen’?

rakken ww.: ravotten, stoeien; vlug en slordig werken. Intensivum van raggen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

raggen, rakken (ZV), ww.: wild heen en weer rennen, stoeien, ravotten (ZV), afraffelen (A). Rakken is een intensivum van raggen. Raggen wellicht verwant met D. regen 'bewegen', causativum bij het sterke ww. Mhd. regen 'uitsteken, zich verheffen'. Daarnaast ook Mnl. en D. ragen 'uitsteken, oprijzen, hoger zijn dan'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

raggen I, (intensieve bijvorm) rakken stoeien, wild heen en weer lopen (Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Antwerpen). Wschl. ~ dr. raggelen ‘roeren’. Mogelijk ~ hgd. regen ‘bewegen’ (= gron. reugen ↑).
WNT XII 182, 211, TNTL XXXVIII 291, Hoppenbrouwers (1996) 275.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

raggen ‘wild heen en weer lopen, schuren’ -> Frans raguer ‘slijten door hard te wrijven; ergens tegen aan geduwd worden door wrijving’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

raggen* wild heen en weer lopen 1836 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut