Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rad - (wiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

rad 1 zn. ‘wiel’
Mnl. rat ‘wiel’ [1240; Bern.], onder der moelen rat ‘onder het waterrad van de molen’ [1276-1300; VMNW], ‘rad als martelwerktuig’ in gepijnt ... opten radren ende opten galgen ‘gemarteld met rad en galg’ [1276-1300; VMNW].
Os. rath (mnd. rat, en door ontlening nzw. ratt ‘stuur(wiel)’); ohd. rad (nhd. Rad); ofri. reth (nfri. rêd); alle ‘wiel’, < pgm. *raþa-. Het woord ligt ook ten grondslag aan de afleidingen on. röðull ‘stralenkrans, zon’ en os. radur, oe. rador ‘hemel’.
Verwant met: Latijn rota ‘wiel, wagen’ (zie → roteren); Sanskrit rátha- ‘wagen’; Avestisch raþa- ‘id.’; Litouws rãtas ‘wiel’, rãtai (mv.) ‘wagen’; Oudiers roth ‘wiel’, Welsh rhod ‘id.’; < pie. *rot(h2)-o ‘wiel’ (IEW 866). Afleiding van de werkwoordelijke wortel *reth2- ‘zich snel voortbewegen’, zoals in Oudiers -reith ‘rennen’. Voor het betekeniselement ‘snel’ zie → rad 2.
Vermoedelijk duidde dit woord oorspr. in het bijzonder een ‘wiel met spaken’ aan en onderscheidde het zich daardoor van → wiel. De Middelnederlandse betekenis ‘martelwerktuig’ is nog te herkennen in → radbraken en in de uitdrukking opgroeien voor galg en rad ‘opgroeien om te eindigen aan de galg of op het rad’.
De oorspr. meervoudsvorm is rader. De huidige vorm raderen is ontstaan op dezelfde wijze als bij → rund.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rad1* [wiel] {rat, rad 1300} oudsaksisch rath, oudhoogduits rad, oudfries reth; buiten het germ. mogelijk verwant met latijn rota, oudiers roth, litouws ratas, oudindisch ratha- [(strijd)wagen]; de uitdrukking voor galg en rad opgroeien herinnert aan de tijd dat men misdadigers voor straf de ledematen brak en hen door de spaken van een rad vlocht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rad 1 znw. o., mnl. rat o., os. rath, ohd. rad, ofri. reth o. Ofschoon alleen in het continentale westgerm. bewaard gebleven is het voortgekomen uit een indo-germ. woord. vgl. oi. ratha- ‘wagen’, lat. rota ‘wiel’, iers rath m. ‘rad’, lit. ratas m. ‘wiel, kring’, Gall. petor-ritum ‘vierwielige wagen’ (kan een lat. weergave van *petor-roto- zijn). — Het woord behoort bij oiers rethim ‘loop’, lit. ritù, risti ‘rollen’ (IEW 866). — Zie ook rad 2.

Ofschoon het oe. en noordgerm. het woord verloren hebben, bewaren zij daaraan toch nog enkele herinneringen, zoals on. rǫðull m. ‘stralenkrans, zon’ en os. radur, oe. rador, rodor m. ‘hemel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rad I znw. o., mnl. rat (d) o. = ohd. (nhd.) rad, os. rath, ofri. reth o. “rad”. Een oeridg. woord: = ier. roth, lit. rātas “rad”, oi. rátha- “wagen, tweewielige strijdwagen”; hiernaast de â-stam lat. rota “rad”. Met ablaut gall. petor-ritum “vierwielige wagen”, lit. ritulaĩ “kruiwagen”. Bij ’t ww. ier. rethid “hij loopt, rolt”, lit. ritù, rìsti “rollen”. De combinatie met gr. epírrothos “te hulp snellend” (ϑ < idg. th) is onzeker. Voor een oud synoniem van rad zie wiel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rad 1 o. (wiel), Mnl. rat, Os. rath + Ohd. rad (Mhd. rat, Nhd. rad), Ofri. reth + Skr. rathas (= wagen), Lat. rota, Oier. roth, Lit. ratas = rad: Idg. wrt. ret = rollen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

raad (zn.) rad, wiel; Vreugmiddelnederlands rat <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rat s.nw.
1. Wiel met of sonder tande wat vas aan 'n as is. 2. Tandwiel in die versnellingstoestel van 'n motor.
In bet. 1 uit Ndl. rad (1532). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. gear (1888). Mnl. rat beteken 'wiel', soos ook nog in groot dele van Ndl. (gespel rad). Die bet. 'wiel' tref ons nog aan in radbraak.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

rad: (mv. radere, meest. fig.), doeb. v. rat (q.v.); Ndl. rad, mv. raden/raderen/raders, dial. rader, v. kaart by Kloe HGA 150 (Mnl. rat, ong. soos in Afr. ondersk. teenoor wiel, v. Kloe HGA 152), Hd. rad (mv. räder), hou verb. m. Lat. rota, “rad; wiel”, en met wd. daarvan afg., bv. rotasie, roteer, ens.

rat: (mv. ratte, gew. lett.), doeb. v. rad (q.v.).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

rad. In het Middelnederlands komt de zelfvervloeking voor up een rat doet mi legghen eest niet waer ‘je mag mij op een wiel dat als strafwerktuig gebruikt wordt leggen (je mag mij radbraken; pvs), als wat ik zeg niet waar is’. Een oorspronkelijke zelfverwensing wordt door oneigenlijk gebruik tot vloek en uitroep van verontwaardiging.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rad, vermoedelijk van den Germ. wt. rath, Idg. roth of reth = ijlen, snel bewegen. Vandaar ook het bijv.nw. rad in de bet. van vlug: „rad” spreken; een „radde” tong.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rad ‘wiel’ -> Fries rêd ‘wiel’; Engels † rat ‘folterwerktuig’; Deens rat ‘stuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ratt ‘stuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ratt ‘stuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ratti ‘roer, stuurwiel’ ; Papiaments rat (ouder: rad) ‘wiek (van een molen); radertje, wiel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rad* wiel 1300 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

592. Voor galg en rad opgroeien,

ook wel voor de galg opgroeien of opwassen (18de eeuw), ‘van jonge deugnieten gezegd, wier opvoeding geheel verwaarloosd wordt, en die daardoor opgroeien in ondeugd en boosheid, waarvan de galg en het rad (vgl. radbraken) eenmaal de straf zal zijn’; Ndl. Wdb. IV, 170; XI, 768; Dievenp. 131: Dat was er ook een voor galg en rad geboren; Mgdh. 102: Als ze voor galg en rad opgroeide, was 't zijn schuld niet; Nkr. V, 27 Mei, p. 2: Hij groeit op voor galg en rad; fri. for galge en rêd opwaechsje; fr. un homme de sac et de corde (een schelm).

1909. Iemand een rad voor de oogen draaien,

d.w.z. iemand door valsche voorspiegelingen misleiden; eig. zóo lang iemand een rad voor de oogen draaien, dat het hem begint te schemeren, hij niet meer goed kan zien; fri. immen in rêd foar de eagen draeije. De uitdr. komt in de 17de eeuw o.a. voor bij Droste, Overbl. 132 en bij Van Moerk. 551. Zie verder Van Effen, Spect. IX, 189: Bato zal u beiden middelen verschaffen om ouders en voogden een rad voor de oogen te draaijen, dat ze noch hooren noch zien kunnen; Halma, 528: Iemand een rad voor de oogen draaien, iemand bedriegen; V. Janus III, 247; Ndl. Wdb. III, 3194; Afrik. iemand 'n rad voor die oë draai. Voor het Vlaamsch zie Joos, 71: iemand een wiel voor de oogen draaien; Wander IV, 1456: er dreht ihm ein Rad vor die Augen, schwindelt ihm etwas in betrügerischer Absicht vor.

1910. Het vijfde rad (of wiel) aan den wagen,

d.w.z. iets overtolligs, hinderlijks; in de elfde eeuw in het lat. quem fastidimus, quinta est nobis rota plaustri (zie Germania XVIII, 315); Despars, IV, 240: Dat hij der al zo wel toe diende als tvijfde wiel an een waghene; Campen, 59: hy is daer wel soe nutte toe, als tvyfste radt anden waeghen; Sart. III, 3, 39: het soude u dienen als het vijfde wiel aen een wagen; vgl. ook Marnix, Byenc. 71 v: Daer na ghebruycken sy oock de gelijckenisse van het Water dat in Cana van Galileen wesentlijck verandert worde in Wijn; welcke ghelijckenisse hier alsoo wonderlijck wel dient, als het vijfste radt in de waghen; Coster, 37, vs. 806; Idinau, 228; Paffenr. 100; De Brune, 281:

 Vier wielen aen een koets, is goed:
 Het vijfde maer belet en doet.

Zie verder Joos, 18; 95; Waasch Idiot. 549: 713; Antw. Idiot. 2159: Er zooveul noodig zijn als 't vijfde wiel aan den wagen; Harreb. II, 208 b; Afrik. hy is 'n vyfde wiel aan die wa; Grimm IV, 575; Borchardt no. 398; Wander III, 1456; Dirksen I, 76; Bebel no. 565; en vgl. het hd. das fünfte Rad am Wagen; eng. the fifth wheel to (or on) the coach; het fr. servir comme une cinquième roue; fri. it fiifte wiel of tsjel oan e wein.

1911. Radbraken,

d.w.z. verknoeien, bederven, vooral van eene taal gezegd: slecht spreken, haar den hals breken; mnl. radebraken; hd. radebrechen (eine Sprache). Eig. beteekent dit wkw. op of onder een rad (de leden van een misdadiger) breken, kneuzen (vgl. ledebraken, ledebreken, verknoeien, en de uitdr. opgroeien voor galg en radMen lei soms latten onder de beenderen en knapte deze dan stuk door met een rad er op te stampen (Zwolsche Herdr. 18/20 aant. bl. 23). Nadat de verschillende ledematen stuk geslagen waren, werd het lichaam door de spaken van een rad gevlochten. Dat rad moest negen of tien spaken hebben en mocht te voren niet aan een wagen gebruikt zijn. Het rad werd met den misdadiger op een galg geheschen of in de zee geworpen (Frederiks, Het Oud-Nederl. Strafrecht I, bl. 385).; vgl. Lanc. II, 45020: Dat menne daer breken soude opt rat; Flor. 3479: Some riedense, dat mense hinge; some, dat mense op rade brake; Kiliaen: Braecken, vetus, j. breken, frangere, rumpere; radbraecken, rota torquere; rote insertum convellere noxium, et paulatim radiis rotarum convulsum lenta morte perimere; Plantijn: Raeybraken, casser et briser sur la roue, conquassere ossa in rota; dilaniare rotario supplicio; Halma, 528: Rabraaken, verknoeijen, bederven; Sewel, 661: De taal rabraaken, to speak a broken language; verder Grimm, Rechtsalterth. II, 265-267; Ndl. Wdb. III, 1001; 1005: 1230; VIII, 1205; Mnl. Wdb. VI, 942; Waasch Idiot. 543 en vgl. geradbraakt zijn; hd. gerädert sein; fr. être roué (de fatigue), zich afgemat en uitgeput gevoelen; ledebreken, zich zeer inspannen (17de eeuw en thans nog dial.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal