Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

raat - (wasbouwsel van bijen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

raat zn. ‘wasbouwsel in een bijenkorf’
Onl. rāta ‘waskoek’ in suottera over honog in rata ‘zoeter dan honing en honingraat’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. rate ‘id.’ in si maken was ende oec raten ‘ze (de bijen) maken was en ook raten’ [1287; VMNW]; vnnl. raet.
Ohd. rāza v. (nhd. gewest. Roße), mhd. rāz o. (nhd. gewest. Roß); < pgm. *hrētō-, *hrēta-. Daarnaast staan, met onverklaard vocalisme, de weinig frequente nevenvormen mnl. rete ‘raat’ [1339; MNW] en rote [ca. 1425; MNW]. De *h wordt gereconstrueerd op grond van vulgair Latijn frata mellis ‘honingraat’ in de Reichenauer glossen, geschreven in Noord-Frankrijk in de 8e eeuw. Hierin is frata een Frankisch leenwoord. Later ontstond daaruit Oudfrans ree ‘honingraat’ [ca. 1130; TLF], waarvan uiteindelijk Nieuwfrans rayon ‘raat’ is afgeleid.
Mogelijk hetzelfde woord als mhd. rāze ‘brandstapel’, waarbij men van een gemeenschappelijke betekenis ‘vlechtwerk’ zou kunnen uitgaan. Verwant is dan wellicht Kerkslavisch krada ‘brandstapel’, hoewel dat qua vorm niet goed te verantwoorden is, aangezien dat via Proto-Slavisch *korda- moet teruggaan op pie. *kord- en Proto-Germaans *hrēt- op pie. *kreh2d-. Verband met → hor bij een wortel pie. *k(e)rt- ‘vlechten’ (IEW 584) is zeer hypothetisch, hoewel semantisch goed te verdedigen: ook Hoogduits Wabe ‘raat’ is afgeleid van de wortel van → weven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raat* [bouwsel van was in bijenkorf] {oudnederlands rata 901-1000, middelnederlands rate} middelhoogduits rāz(e); voor de betekenis is te vergelijken hoogduits Wabe [raat], van weben en nederlands wafel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raat znw. v., mnl. râte v., onfrank, rāta, mhd. rāʒe v. rāʒ o. (nhd. ross o. en rosse v.). De grondvorm is germ. *hrāta, blijkens vulg. lat. frāta (Reichenauer Glossen), aan het germ. ontleend evenals fra. raie, rée (de miel). — Indien de grondbet. ‘vlechtwerk’ is geweest, dan is het — mhd. rāʒe ‘brandstapel’, vgl. mnd. kalkrose ‘opgestapeld hout voor het kalkbranden’ en dan mogelijk verwant met osl. krada ‘brandstapel’.

Naast raat staat met uml. achterh. räote en abl. mnl. rōte v., nnl. dial.(Kampen) reute evenals mnl. rēte. — Eenzelfde bet. van ‘vlechtwerk’ heeft nhd. wabe, dat met weven samenhangt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

honingraat, honigraat znw. Een reeds mnl. mhd. mnd. samenst. Zie raat.

raat znw., mnl. râte v. = onfr. râta, mhd. râʒe v., râʒ o. (nhd. ross o.) “raat”. Vulgairlat. frâta “raat” (Reichenauer glossen), dat evenals ofr. raie, rée (de miel) “(honig)raat” uit ’t Germ. komt, maakt een germ. grondvorm * χrêtô(n)- wsch., die van qerê-d-, een verlenging van de bij hor besproken basis qerâx- (naar * χrêtô(n)- te oordeelen qerê-) kan komen, die hier dan de bet. “vlechten, weven” zou vertoonen, die ook qerē̌t - heeft. Vgl. ook mhd. râʒ o. “brandstapel” (oorspr. “vlechtsel, vlechtarbeid”) en met ablaut obg. krada “id.”. Vgl. voor de bet. hd. wabe v. “raat” bij weven: zie wafel. Met umlaut achterh. räote “raat”, met ablaut mnl. rōte v., nnl. dial. (Kampen) reute “id.”; met ě -trap mnl. rēte v. “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

roosten. Op grond van een enkele maal voorkomende ohd. schrijfwijzen rohost en rhost neemt Heinertz Et. St. z. Ahd. 85 vlgg. hr- aan en verbindt dan het woord met de familie van hor, roest II, raat en harst. Om het vocalisme hiermee in overeenstemming te brengen, moeten echter zo gewaagde basis-verlengingen worden aangenomen, dat de — semantisch wel aanlokkelijke — combinatie niet te aanvaarden is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

raat 1 v. (honigraat), Mnl. rate, Onfra. râta + Mhd. raʒ (Nhd. rosz). Het hieruit ontstane volksl. frata maakt een Ug. *hrêt- waarschijnlijk, dat bij den wortel van horde 2 behoort. Hieruit Fr. raie (thans rayon) = honigraat, en rate = milt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

raat ‘bouwsel van was in bijenkorf’ -> Frans rate ‘milt (vanwege vormovereenkomst met een honingraat)’ Frankisch; Frans rayon ‘honingraat; (naar de vorm) (boeken)rek; (vandaar) afdeling (in winkel)’; Papiaments † raat ‘bouwsel van was in bijenkorf’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

raat* bouwsel van was in bijenkorf 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut