Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

raar - (vreemd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

raar bn. ‘vreemd’
Mnl. raer ‘zeldzaam, vreemdsoortig’ alleen in een geïsoleerd geval als een raer doctoor ‘een vreemdsoortige geleerde’ [1393-1402; MNW]; vnnl. t'gheen rare ende verwonderingwaerdich was ‘wat bijzonder en verbazend was’ [1617; WNT zegel], schoone ende rare Boecken ‘mooie en zeldzame boeken’ [1641; WNT drukkerij], wat raars ‘iets vreemds’ [1698; WNT].
Ontleend aan Latijn rārus ‘los, zeldzaam, buitengewoon’, later misschien opnieuw ontleend via Frans rare ‘buitengewoon’ [1553; TLF], ‘vreemd’ [1694; TLF], eerder alleen ‘los, niet dicht opeen’ [1377; TLF].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raar [vreemd] {raer [zeldzaam, zonderling] 1393-1402} < frans rare [idem] < latijn rarus [niet dicht opeen, verstrooid, zeldzaam, buitengewoon].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raar bnw., mnl. raer (zelden) ‘zeldzaam, zonderling’, dan steeds meer in gebruik sedert het midden der 17de eeuw; evenals mnd. rār ‘zeldzaam, kostbaar’, ne. rare ‘zeldzaam’ < fra. rare < lat. rārus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

raar bnw., niet bij Kil., maar wel mnl. (zeldzaam) raer, wsch. in de bet. “vreemdsoortig”. Evenals mnd. râr “zeldzaam, kostbaar” (vaak ironisch), eng. rare zeldzaam” uit fr. rare > lat. rârus.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

raar bijv., gelijk Hgd. rar, Eng. rare, uit Fr. rare, van Lat. rarum (-us).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

raar (bn.) vreemd; Middelnederlands raer <1394-1402>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

raar b.nw.
Eienaardig, ongewoon, seldsaam.
Uit Ndl. raar (al Mnl.).
Ndl. raar uit Fr. rare 'seldsaam, sonderling'.
D. rar, Eng. rare.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

raar (Frans rare)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

raar ‘vreemd’ -> Duits rar ‘zeldzaam, bijzonder, goed’; Noors rar ‘vreemd’; Negerhollands rar ‘vreemd’; Papiaments rar (ouder: raar) ‘vreemd, zeldzaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

raar vreemd 1393-1402 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

91. Een rare, ruwe, vreemde apostel,

d.i. iemand van vreemde, ruwe manieren, kleeding of uiterlijk. Volgens Zeeman, bl. 45 is deze zegswijze ontstaan als volgt: ‘Met dien naam (apostel) werden ook later zij onderscheiden die in vroeger of later eeuwen het Christendom onder de heidenen brachten, b.v. Bonifacius (de apostel der Duitschers), en daar onder deze personen mannen van allerlei stand, ook den minsten niet uitgesloten, en van onderscheiden uiterlijk en karakter voorkwamen, ontstonden zoo de uitdrukkingen wonderlijke, rare, ruige Apostel, ter aanduiding van vreemdelingen of min bekende personen, die zonderlinge manieren, vreemde karaktertrekken hebben of wat slordig zijn in kleeding en toilet’. In het Fransch bestaat de zegsw. un bon apôtre, dat Halma opgeeft als de vertaling van een ruige Apostel, een loskop, en dat het voorbeeld kan geweest zijn van onze zegswijze. Ook Sewel, bl. 50 kent de zegswijze 't is een ruigen apostel, met de vertaling: a good companion, a notable blade, a droll; Schuermans, Bijv. 13 citeert: een trage apostel, een luiaard; een drooge apostel, een die droog is of nooit lacht; Rutten, 15: een vieze apostel, een vies (d.i. rare) vent; zoo Antw. Idiot. 162; Waasch Idiot. 78 a; Teirl. 76; Ndl. Wdb. II, 542; fri. in nuvere, in rare apostel, een zonderlinge kerel; in rauwe apostel, een ruwe vent. Synoniem is een lastige apotheker; Teirl. 76: Pier es ne viezen apothekere, een lastig sinjeur; een vieze stuiver, een drollige vent (Claes, 229); fr. un drôle d'apôtre.

2539. Een rare Waterchinees

ook een rare chinees, een eigenaardig, zonderling mensch; eig. een chinees, die met tal van anderen met gekruiste beenen op een paar stukjes bamboe gezeten in de open zee ronddrijft, een vischlijn in de hand en een mandje voor zich om er de vangst in te bewaren. Zie Dr. H.P.N. Muller, Malakka en China, Leiden 1918, bl. 165 noot.

1876. Een raar poteten (of potnat),

d.w.z. een rare, vreemde snuiter; een wonderlijk, onverdragelijk mensch. In de middeleeuwen verstond men onder poteten gekookte spijs, zooals blijkt uit den Bijbel van 1477: Ende datmen hem alle daghe een broet gave, sonder dat poteten (Weiland en De Bo, 889 a: poteten, gekookt voedsel, kokagie). Overdrachtelijk werd dit genomen voor een mensch, evenals potmos in het Zaansch en het vroegere kompost; vgl. Paffenr. 134: wat boser stuk eten is dat; 58: je bent voorwaer eenen soeten pot nats (vgl. wat lekkers); Halma, 278: dat is een wonderlijke kompost, een wonderzinnig mensch; W. Leevend I, 195: Wel, misselijke Potnat, pas jy maar op je eigen roer. Zie Boekenoogen, 785; 786; Molema, 334 a; Gunnink, 189; Opprel, 78; Draaijer, 31; Schuermans, 503 b; Waasch Idiot. 532: nen vuilen pot eten aan de hand hebben, voor eene moeilijke zaak staan; Tuerlinckx, 509 en Antw. Idiot. 991: t' is in pose (portie), 't is al wat slecht is; in het fri.: dat is in raer stik iten (boterham), pôtiten (hutspot) of pôtnat. In de dieventaal komt poteten voor in den zin van ‘belooning’ (Köster Henke, 55). Vergelijk uitdrukkingen als mnl. een quaet suvel; een zeldzaam kraam (De Brune, Embl. 193; De Bo, 567; Antw. Idiot. 706); een vuil pastei (17de eeuw); 18de eeuw een raar portret (vgl. C. Wildsch. V, 269: Een mal portrait van een wijf; Harreb. II, 195: Het is een portretje: hang er eene mat voor; fri. in raer portret); een leuke pisang (Prikk. V, 24; Nw. School VII, 380Verbastering van 't fr. paysan? Zie Horn, 19: Im Kriege 1870/71 ward aus dem franz. paysan pisang.) of banaan; een fijn, raar gebakje (Harreb. II, LXXI; Slop, 18: Ze kenden Pier, wisten welk een gebakkie hij was; Bergsma, 122: gebakkie(n), baksel, misbaksel, mispunt); een snoode schelvisch, een arg kind (Halma, 563; vgl. eng. a strange or queer fish); een rare, vreemde snijboon (of spersieboon; vgl. Het Volk, 22 Maart 1913, 5de bl. p. 1: Hoor die aangekleede snijboon nou es; Nkr. I, 23 Febr. p. 2: Overigens was hij een rare snijboon; Amst. 27: Kom d'r maar in, snijboon; Menschenw. 431: Waa's dá' veur 'n snaiboon?; bl. 162: F'rrek, waa's 't die snijboon? woedde Klaas Koome; Nw. School VI, 12; VIII, 247); een roar potdeksel (V.d. Water, 120); een fijne paling, een gladde, geslepene (17de eeuw Zuid-Nederl. en thans nog in Antw. Idiot. 2261: een slimme palingNdl. Wdb XII, 221.); dat is een paling, iemand die zijn werk slecht doet, zich misdraagt (De Bo, 821), syn. van een rare vogel; verder in Noord-Nederland een (lekkere) druif (Kunstl. 6: God sal me 'n schaap gefe, dat is mijn ook 'n druif; bl. 110: Jij bent d'r toch ook 'n druif; II, 160; Köster Henke, 15: Wat is me dat voor een druif?; Nkr. VIII, 28 Febr. p. 4: Benje een haartje nou bedonderd, jij bent net zoo'n druif als ik); 'n fijne druif (O.K. 42); lekkere druif (D.H.L. 12; Lvl. 27); een fijne beschuit (een schijnheilige; Onderm. 62); een flauwe, vervelende bolus; een vuile taart, vuile vrouw of meisje (Waasch Idiot. 641); wat 'n peire! een fijne peire! (hebr. peri, vrucht, voortbrengsel, productVan Ginneken II, 86.; een stuk vreten (Falkl. VI, 131: Waarom had ze niet dadelijk ja gezeid, toen-ie 't vroeg - stom stuk vreten dat ze was!); een lief, lekker brok; roare siepel, rare Chinees (Molema, 562); enz. (Aanv.) Vgl. fr. un drôle de pistolet.

1979. Een scheeve of rare schaats rijden,

d.w.z. vreemd, zonderling, onbehoorlijk handelen. Vgl. Harreb. II, 240: Hij rijdt een rare schaats; Kippeveer I, 135: Maar hij moet geen baas spelen en vooral nu niet; want Landek rijdt een scheve schaats. Waarmee? vroeg Kippeveer verwonderd. Omdat hij lijnrecht en opzettelijk tegen de Schrift handelt en geesten oproept; Handelsblad, 1 October, 1915 (avondbl.), p. 2 k. 4: Immers, 's Heeren Mees verwijt dat ik to wait on en to wait for niet genoeg uit elkaar hield, moge juist zijn - bij zijn opmerking over ‘iemand gaan ontmoeten’, slaat hij reeds een heel vreemde schaats (= doet hij zeer zonderling, vergist hij zich leelijk). Een leelijke schaats rijden, er bekaaid afkomen, een leelijke pijp rooken; een schuine schaats rijden, een weinig zedelijk leven leiden.

2096. Een (vreemde, rare, brutale) snuiter,

d.i. een snoeshaan, een kwibus, een kwant, grappenmaker; een rare snijer (fri. in rare, frjemde snijer); vgl. o.a. Op R. en T. 30: Dat 's 'n eigengereide, brutale snuiter. Wellicht beteekent ‘snuiter’ eig. bedrieger als afleiding van het wkw. snuiten in den zin van iemand geld afzetten; vgl. het mnl. enen die nose snuten, iemand afzetten; Kiliaen: Snuyten, snutten, emungere pecuniis, fallere, deplumare, deglubere aliquem; Winschooten, 268: Snuiten beteekend ook iemand te veel gelds voor eenige waar af neemen: waarvan sij hebben ons gesnooten: sij hebben ons bij de neus gehad: emungere aliquem pecunia; Tuinman I, 23: Hy is gesnoten, dat is, bedrogen; Halma, 593: Snuiten, verschalken, bedriegen; Sewel, 734: Hy heeft my gesnooten, he has nosed (or rooked) me; he made we pay through the nose; Rutten, 210: afsnuiten, ontnemen; iemand snutten, iemand zijn geld afwinnen of bedriegen; Schuermans, Bijv. 311 a: snutten, snuiten, 't zelfde als vastnemen, te veel doen betalen, bedriegen (Antw. Idiot. 1145. Vgl. voor denzelfden overgang van afzetten tot bedriegen het wkw. vlooien, dat in de 17de eeuw voorkomt in den zin van iemand van zijn geld berooven en thans nog in Zuid-Nederland bedriegen, foppen beteekent (Rutten, 262 a; Schuerm. 823 a). Ook in het hd einen ums Geld schnäuzen, iemand geld afhalenFranck-v. Wijk, 636 ziet in snuiter een overdracht van snuiter, voorwerpsnaam, dus kaarsensnuiter, en vergelijkt bengel (zie no. 201).; fri. immen snute, iemand afzetten; barsch terecht wijzen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut