Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

raap - (knolgewas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

raap zn. ‘knolgewas (Brassica rapa)’
Mnl. rape ‘raap’ [1240; VMNW]; vnnl. vooser dan een raep ‘ondeugdelijk’ [voor 1540; WNT voos I], Rapen zijn tweederley, tam ende wilt [1543; Fuchs].
Ontleend aan Latijn rāpa, nevenvorm van rāpum ‘raap, knol’ (waaruit Frans rave ‘raap’).
Hiermee verwant zijn: vnnl. roeve ‘raap’ [1571; MNW], rove ‘id.’; mnd. rove ‘id.’; ohd. ruoba ‘id.’ (nhd. Rübe). Engels rape ‘koolzaad’ [1398; OED], is in de betekenis ‘soort veevoer’ mogelijk aan Nederlands raap ontleend (OED).
Bovendien zijn verwant: Grieks rháphanos ‘kool, radijs’; Litouws rópė ‘raap’; Kerkslavisch rěpa ‘raap’ (Russisch répa). Een gemeenschappelijke Proto-Indo-Europese reconstructie is niet mogelijk. Wellicht is er sprake van een oud cultuurwoord dat ontleend is aan een voor-Indo-Europese taal.
Deze groente wordt tegenwoordig in het NN meestal knolraap of meiraap genoemd. De jonge stelen ervan heten raapstelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raap [plantensoort] {rape, raep 1201-1250} < latijn rapum, rapa [knol, raap].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raap 1 znw. v., mnl. râpe, ne. rape < lat. rāpa (naast rāpum), waaruit ook fra. rave, ital. rapa. — Het Germ. heeft echter ook verschillende woorden, die oerverwant zijn met lat. rapa en wel 1. *rēƀ in ohd. rāba, mhd. rābe, rāpe, rappe; 2. *rōƀ in nnl. Kiliaen roeve, roef, naast rube, rueve (Germ. Sax. Sicamb.), mnl. roeve (1488 drents), vgl. Zaans reuf, ohd. ruoba, ruoppa, nhd. rübe en on. rōfa ‘benig staartdeel’ (voor de bet. vgl. spa. port. rabo ‘staart’). — De plant brassica rapa werd dus zeker reeds in de laatste eeuwen vóór onze jaartelling door de Germanen verbouwd. Toch zal zij uit het Zuid-Oosten zijn ingevoerd en de naam daarvoor zal zich van het ene volk naar het andere verbreid hebben: gr. rhápus, rháphus ‘raap’, rháphanos ‘rammenas’, lit. rópe, asl. rěpa ‘raap’ (IEW 852).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

raap znw., mnl. râpe v. Ontl. uit lat. râpa, den bijvorm van râpum waarop ook fr. rave, it. rapa enz. teruggaan. Evenzoo eng. rape “raapzaad”. Mnl. roeve (drentsch 1488; nog dr. reuven “rapen”), Kil. roeve, roef zonder plaatsaanduiding naast rube, rueve “Germ. Sax. Sicamb.”, Zaansch reuf (reufzeed) “zwart raapzaad”, ohd. ruoba, ruoppa (nhd. rübe), mnd. rôve v. “raap, knol” (*rôƀ(i)ôn-) zijn evenals gr. rápus, ksl. rěpa, lit. rópė “raap, knol” met lat. râpa “id.” verwant. Ohd. râba v. “id.” kan = ksl. rěpa of een ontl. uit ’t Rom. zijn. De ablaut ê: â komt meer voor; echter kan het vocaalverschil ook door voorhistorische ontleeningen te verklaren zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

raap v., Mnl. rape, uit Lat. rapam (-a) + Gr. rápus, Osl. rěpa, Lit. ropė. De echt Germ. vormen vindt men in Hgd. rabe, rübe en Mnl. roeve.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

reub (zn.) raap; Vreugmiddelnederlands rape <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1raap s.nw.
Eetbare knolgroente, veral geskik vir veevoer.
Uit Ndl. raap (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

raap I: bep. knolgroente (Brassica rapa, fam. Brassicaceae): Ndl. raap (Mnl. rāpe), Eng. rape (beter bek. as turnip) uit Lat. rāpa (wu. ook It. rapa, Fr. rave), Gr. (h)rap(h)us, “raap” – wsk. veraf verw. is Hd. rübe.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

raap (Latijn rapa)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

raap ‘plantensoort’ -> Engels rape ‘plantensoort’; Schots rap ‘(meestal mv.) plantensoort, knol; raapzaad’; Duits dialect Rapp, Raap ‘plantensoort’; Frans dialect rape, raap, rāp ‘knol’; Papiaments † raap ‘plantensoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

raap plantensoort 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2253. Test

is in den volksmond een der benamingen voor hoofd, kop; het woord is ontleend aan ofr. test, aarden pot of aan het lat. testum, vulg. lat. testa, dat hetzelfde beteekent; fr. tête. Voor den overgang van beteekenis vgl. kop, hersen pan, hd. Hirnschale; het mnl. moude (melkmout, bak), dat ook voorkomt in den zin van schedel, hersenpan; mnl. mole, vaatwerk, hoofd; bekkeneel, afleiding van bekken, een bak of schotel, mnl. hersenbecken, schedel; eng. noggin, kruik, hoofd. Zie verder Het Volk, 29 Dec. 1913 p. 5 k. 1: Dat ik er op een gegeven oogenblik een klap mee op m'n test kreeg, dat één van m'n oogen half dicht zat; Peet, 26: Een norsche mep op zijn test en hij lag zelf onder de vierde-klasse-doojen; Gron. 96: Lamstraal, hier heb je d'r een voor je test; Nkr. II, 25 Dec. p. 3: Slaat een gat hem in zijn test; Twee W.B. 89: Geef op of ik gooi de bijl naar je test; Jord. 13; 27: Tik 'm de test in mekoar - die bloedhond; II, 42; 110; 445; Menschenw. 130; 250: Aa's d'r moer wa' sai sou d'r 'n kruk op d'r test stuksloan; 208; 400; Kunstl. 111; Boefje, 57; Boekenoogen, 1055; Köster Henke, 67: Test, hoofd. Sla je lat op zijn test stuk; Slop, 212: Iets uit zijn test zetten. Ook wordt test gebezigd voor een persoon o.a. in het fri. âlde testen, oude vrijsters; in skiere test, een wijf van zeer onzindelijk voorkomen; Waasch Idiot. 648: Onnoozele test. Oude test; vgl. zwakke vaten, menschen. Synoniemen zijn kanes, kanis; zie Köster Henke, 29; 63; Boefje, 56: Dan zat ie daar met koolstruikies doorheen te mikke op de nakende kanes van Okkie; Jord. II, 43; 123; In de forten, 29: Wanneer je de reveille hoort, dan ga je eerst je kanus wasschen; Nkr. III, 18 April p. 5; V. Looy, Jaapje, 23; 196; Ndl. Wdb. VII, 1249Kanis beteekent ook ‘lichaam’: Iemand op zijn kanis geven (Ndl. Wdb. VII, 1249); en ‘persoon’: smerige kanis, vuile kanis; smeerkanis (Jong, 122; 284; syn. van smeerpijp (Nkr. V, 26 Maart p. 2); Diamst. 26; Nkr. III, 26 Sept. p. 3); slaapkanis (in A.t.A. 139).; kersepit, bij Köster Henke, 31; Jord. 160: Geen kerel keek ze naar zijn kersepit; B.B. 6; Nkr. I, 8 Sept. p. 2; IX, 13 Febr. p. 2; Mgdh. 304: Die ouwe hannes was nooit goed in zijn kersepit; krakepit (kersepit) in Nkr. VII, 15 Maart p. 2; 22 Maart p. 2; pit, in Jord. 196; II, 158; Peet, 136 en Handelsbl. 4 Jan. 1916 (A) p. 5 k. 4; knar bij Köster Henke, 34 en Jord. 178: Hij voelde zich met doofheid ingespoten..... door dat vreeselijke suizen in z'n knar; 367: 't Maalde nu toch door zijn knar, dat Neel hem vertrapte; Jord. II, 11; 43; 97; 260; 387; Peet, 94: Je lichies loddere as pap in je knar; klapbes (in Jong. 145: Pas op, hoor!..... Ik geef je 'n dobber (slag) op je klapbes! (mond); O.K. 173: De stoker kreeg er een vlak voor zijn klapbes; Peet, 12: Geef die doerak een veeg over d'r klapbes; neut bij Köster Henke, 47; Jord. 72: Jesis, wat had hij een pijn in zijn neut; Peet, 130; vgl. eng. (cocoa-)nut, hoofd; raap (in Handelsbl. 7 Maart 1923 (O) p. 8 k. 3: Als ik Rines had getroffen, dan had ik hem voor zijn raap geschoten); peer (fr. poire) in zuidndl.; ook in de uitdr. het in zijn peer hebben, hoogmoedig zijn (Ndl. Wdb. XII, 893; 1254). Zie verder brankalie (kaalhoofd), kiebes (Peet, 177), patet (Jord. II, 398); kei (zuidndl.); rausj (Jord. II, 389) of rosj (bij Köster Henke, 11; 31; 51; 56; 57Vgl. nhebr. rousj, hebr. rosj, hoofd, begin; Voorzanger en Polak, 259-260; V. Ginneken II, 90. De Franschen spreken van cafetière, fiole, terrine, ciboulot, coloquinte, citrouille, calebasse, poire, fraise, enz.; de Duitschers van rübe, kohlrübe, nusz, kürbis, birne, melone, pflaume, apfel, grind, dachs, nisschel; de Engelschen van a beam, koko, block, couch, nut, topknot, pumpkin (zie Leuv. Bijdr. XIII, 186; 198; Germ. Rom. Monatschr. IX, 51)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut