Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

raam - (venster; omlijsting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

raam zn. ‘venster met ruit; omlijsting’
Mnl. raem ‘houten voorwerp waarop laken gespannen wordt’ in de samenstelling raemscerres ‘lakenscheerders, zij die lakens scheren die op een raam zijn gespannen’ [1277; VMNW], die ramen ter ezelporte ‘de lakenramen bij de Ezelpoort’ [1305; MNW]; vnnl. raem ‘omlijsting’ in Van eenre ramen te makenne ... aen een vinstere ‘voor het maken van een lijst om een vensteropening’ [1527; iWNT], Beeldeken in een raem ... ghestelt ‘ingelijste afbeelding’ [1567; Nomenclator, 283], ‘vensteromlijsting met glasruit(en)’ in met de raemen toe ‘met gesloten ramen’ [1647; iWNT]; nnl. dubbelde glase ramen ‘dubbele glazen ramen’ [1753; iWNT], Ik ... schuif de raamen ... op, kyk uit het venster [1784; iWNT].
Mnd. rāme (m.) ‘raam, omlijsting’ (ontleend in de Noord-Germaanse talen, o.a. nzw. ram); mhd. rame (m.) ‘omlijsting’ (nhd. Rahmen), ohd. rama (v.) ‘steunsel, stut’ (mhd. ram(e)).
Herkomst onzeker. Misschien verwant met Russisch vero. krómy (mv.) ‘weefstoel, weefgetouw’. Voor het Germaans zou de reconstructie dan pgm. *hrama- moeten zijn (maar zie → rand) en de Oudhoogduitse betekenis ‘steunsel, stut’ is dan secundair. Deze woorden zouden in dat geval verwant kunnen zijn met → remmen. Een andere mogelijkheid, waarbij men voor het Germaans juist uitgaat van de betekenis ‘steunsel, stut’, is verwantschap met Gotisch rimis ‘rust’, Grieks ēréma ‘rustig’, Sanskrit ramatē ‘rusten’, Litouws remti ‘steunen’, Oudiers fo-rimim ‘ik plaats’, bij de wortel pie. *h1rem, *h1rom- ‘rustig worden’ (LIV 252). Mogelijk zijn beide etymologieën juist en zijn in het Germaans twee woorden samengevallen (Kluge21).
In het Middelnederlands was raem mannelijk of vrouwelijk, maar in elk geval een de-woord. Sinds de 17e eeuw komt ook het onzijdige geslacht voor. Wellicht is deze overgang beïnvloed door het woordgeslacht van het synoniem raemte [15e en 16e eeuw; MNW] of van het in betekenis verwante venster. Zie ook → geraamte.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raam* [lijst(werk)] {rame, raem [omlijsting, raam] 1277} middelnederduits rame, oudhoogduits rama [stut], misschien verwant met litouws remti [stutten], oudiers fo˙ruimi [hij plaatst], oudindisch ramate [hij staat stil].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raam znw. o. dial. v., mnl. rāme, raem m., rāme v. ‘omlijsting, raam, waarop iets gespannen wordt’, mnd. rāme m. ‘raam, omlijsting’, ohd. rama v. ‘steunsel, stut’ (mhd. ram, rame v. m. ‘steunsel, stellage, weefraam’, nhd. rahmen) waarsch. ook on. ramr m. soort zolderkamer’. Daarnaast staan de vormen mnl. mnd. rēme, mhd. rem, reme m. v.

De etymologie is niet zeker. Men kan vergelijken lit. remiù, rem͂ti ‘steunen’, oiers fo-rimim ‘ik plaats’, en verder nog got. rimis ‘rust’, gr. ēréma ‘zacht, stil’, oi. ramatē ‘rusten, stil staan’ (IEW 864). — Gaat men uit van de bet. ‘rand’, dan kan men vergelijken mnl. reen, rein ‘verhoogde akkerrand, grenspaal’, mnd. rēn, rein, mhd. nhd. rein, on. rein, reina, die behoren tot de wt. *rei ‘ritsen, scheuren’ (IEW 857-8), maar dan moet men een wt. *rē: *rə aannemen, wat zeer hypothetisch wordt. — 3. Heinertz SVS Lund 7, 1927, 108-119 wil verbinden met got. hramjan ‘kruisigen’, oe. hremman ‘tegenhouden’ bij een idg. wt. *ker ‘vlechten’, vgl. russ. dial. kromy ‘weefstoel’. Daarvoor biedt mlat. adhramire ‘een klacht naar het gerecht verwijzen’ (van een woord *hrama ‘omheinde gerechtsplaats’) een uiterst zwakke steun, terwijl bovendien nergens van het woord raam vormen met hr- optreden. — Ontleend > fra. rame ‘houten raam om stukken laken in te spannen’ (sedert de 15de eeuw; Valkhoff 210) en mogelijk ook > me. rame ‘raamwerk voor lakenwevers’, maar 1497 ook ‘skelet’, nu nog dial. ‘weversraam’ (vgl. Toll 39).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] raam, is m. in ’t Limb., Haspengouwsch, Hagelandsch, Aalstsch, v. in ’t Leuv., Antw., Waasch.

raam znw. o., dial. v., mnl. rāme, raem m., rāme v. “omlijsting, raam waarop iets gespannen wordt”. = ohd. rama v. “steunsel, stut” (mhd. ram, rame v. m. “steunsel, stellage, weefraam”; nhd. rahmen m.), mnd. rāme m. “raam, omlijsting (in allerlei speciale toepassingen)”. In gelijke bet. mnl. mnd. rēme; ook mhd. rem, reme m. v. in bet. = ram, rame. On. ramr m. “verdieping boven een deel van de onderverdieping aangebracht” hoort misschien ook nog hierbij. De oorspr. bet. van raam zal “steunsel” zijn geweest en dan zijn ier. fo-rimim “ik zet, leg”, lit. remiù, rem͂ti “steunen” verwant, waarmee men gewoonlijk verder got. rimis o. “rust”, gr. ēréma zachtjes”, lit. rímstu, rímti “rustig worden”, oi. rámate “hij rust, staat stil, smaakt genoegen” combineert. De bet. “rusten” kan zich uit “op iets steunen” ontwikkeld hebben: vgl. ndl. op iets rusten. Zie nog ramen, rand.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

raam. Men neemt ook wel hr- aan en verbindt het dan met got. hramjan ‘kruisigen’, ags. hremman ‘hinderen’ (zie rem) en verder buiten het Germ. met russ. dial. krómy ‘weefstoel’, klein-russ. prykromýty ‘aan banden leggen’ en andere slav. woorden. Zo laatstelijk Heinertz Et. St. z. Ahd. 108 vlgg. De h- aan het begin is echter te onzeker: mlat. adhramire ‘vaststellen, gerechtelijk toewijzen’ (ofr. arramir), waarin H. een *hram- ‘omheinde gerichtsplaats’ wil herkennen, is hiervoor een te zwak bewijs.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

raam 1 o. (lijst, vensterraam), Mnl. rame + Ohd. rama (Mhd. rame, Nhd. rahmen); met ablaut Mnl., Mhd. reme, Oostfri., Eng., On. rim + Skr. râmate = rusten, Gr. ēréma = zachtjes, Oier. fo-rimim = zetten, Lit. remti = steunen, rimti = rustig worden. Hieruit Fr. rame, ramette (z. remmen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

raom (zn.) raam; Vreugmiddelnederlands raem <1277>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1raam s.nw.
1. Konstruksie, gewoonlik van hout, waaroor bv. borduurwerk gespan word. 2. Omlysting. 3. Vensterruit met omlysting.
Uit Ndl. raam (al Mnl. in bet. 1, 1573 in bet. 2, 1753 in bet. 3). In Mnl. is raam in bet. 1 oorspr. toegepas op die houtstellasies vir die span van materiaal in die ou lakenindustrie.
D. Rahmen, Deens ramme.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

raam I: s.nw., “omlysting; venster”; Ndl. raam (Mnl. rāme/raem), Hd. rahmen (wu. Fr. rame, “raamwerk v. lakenwewers”); herk. onseker.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

raam. De verwensing drie hoog het raam uit! roept letterlijk ongeluk af over degene op wie men boos is geworden. De emotionele betekenis is ‘ik veracht je’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

raam ‘(West-Vlaams) spruw’ -> Frans dialect lamette, raméte, rènète ‘aften bij een klein kind’.

raam ‘lijst(werk); venster’ ->? Duits dialect Raam, Raamen ‘venster’; Deens ramme ‘lijst(werk)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ramme ‘lijst; kader’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ram ‘lijst(werk), kader’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins raami ‘omlijsting’ ; Ests raam ‘lijst(werk)’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans rame ‘spanraam, droograam’ Frankisch; Indonesisch † ram ‘venster’; Ambons-Maleis ram ‘lijst(werk)’; Jakartaans-Maleis ram ‘raamwerk’; Javaans ram ‘raamwerk, lijst’; Kupang-Maleis ram ‘lijst(werk)’; Madoerees ērram ‘lijst(werk)’; Makassaars rang ‘fijn kippengaas, spijsdeksel van kippengaas, kastje van kippengaas (waarin de gadogado-verkoper zijn spijzen bewaart)’; Menadonees ram ‘lijst(werk)’; Soendanees ĕram ‘lijst(werk)’; Ternataans-Maleis ram ‘lijst(werk)’; Singalees rāmu-va ‘lijst(werk)’; Papiaments rampi ‘venster’; Sranantongo lan ‘houtwerk waarop iets gespannen wordt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

raam* lijst(werk) 1277 [CG I1, 353]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut