Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

raak - ((achterste deel van) gehemelte)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raak2* [(achterste deel van) gehemelte] {rake 1477} oudhoogduits (h)rahho (hoogduits Rachen), oudengels hrac(c)e, een klanknabootsende vorming (het schrapen van de keel); vgl. rek3 [kikkerrit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raak 2 znw. m. ‘verhemelte’ nu verouderd, mnl. mnd. rāke, ohd. rahho (nhd. rachen) < *hrahho, waarnaast oe. hrace, hracu ‘keel’ is eigenlijk genoemd naar de schrapende keelgeluiden; het woord behoort tot de groep van hark.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

raak 1 v. (achtergehemelte), Mnl. rake + Ohd. rahho (Mhd. rache, Nhd. rachen), Ags. hraca, hracca (Eng. rack).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

raak, rakel, zn.: verhemelte, kaak. Mnl. rake, raec ‘gehemelte’, Vnnl. raecke, ghe-hemelte ‘palatum’ (Kiliaan). Oe. hraca ‘keel’, E. rake ‘muil, kaken’. Ohd. (h)rahho, Mhd. rache, Mnd. rake, D. Rachen ‘keelholte, muil’. Vgl. nog Ohd. (h)rahhisôn ‘zijn keel schrapen’, Oe. hræcan ‘spuwen’, On. hrâki ‘speeksel’. Bij een klanknabootsende wortel, die ook in het woord raaf steekt.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

raak, zn.: verhemelte, kaak. Mnl. rake, raec ‘gehemelte’, Vnnl. raecke, ghe-hemelte ‘palatum’ (Kiliaan). Oe. hraca ‘keel’, E. rake ‘muil, kaken’. Ohd. (h)hrahho, Mhd. rache, Mnd. rake, D. Rachen ‘keelholte, muil’. Vgl. nog Ohd. (h)rahhisôn ‘zijn keel schrapen’, Oe. hræcan ‘spuwen’, On. hrâki ‘speeksel’. Bij een klanknabootsende wortel, die ook in het woord raaf steekt.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

raak I verhemelte, kaak (Limburg, Noord-Brabant). = ouder nl. raak ‘verhemelte, binnenste v.d. mond, muil’ = hgd. rachen ‘muil’, eng. rake ‘muil, kaken’. Geen verdere verwanten. Oeng. hraca ‘keel’ steunt de veronderstelling dat het woord met zijn vele keelgeluiden een klankschilderende vorming voor de geopende muil was.
Van Gestel 199, Schols/Linssen 371, Dorren 143, eigen mat., NEW 556, Vos/Van der Wijst 132.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal