Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

raaf - (vogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

raaf zn. ‘vogel (Corvus corax)’
Onl. ravo ‘raaf’ in het toponiem Raventhun (Frans-Vlaanderen), letterlijk ‘Ravenhof’ [1084; ONW] en in suarz samo ein rauon ‘zwart als een raaf’ [ca. 1100; Will.]; mnl. raue ‘raaf’ [1240; Bern.]; vnnl. Raef [1625; WNT].
Mnd. raven; ohd. hraban, raban (nhd. Rabe); nfri. raven; oe. hræfn (ne. raven); on. hrafn (nde. ravn); alle ‘raaf’, < pgm. *hrabna-. Daarnaast staan enkele vormen met assimilatie -bn- > -mn- > -m(m)-: onl. *(h)ram in toponiemen, bijv. Hramasdung (onbekende plaats in Oost-Vlaanderen), letterlijk ‘raafdonk’ [821, kopie 941; Gysseling 1960]; os. -ram; ohd. hram; oe. hræmn; nzw. ram. Ohd. rappe ‘ravenzwart paard’ kan uit pgm. *hrabbna- zijn ontstaan.
Verwant met: Latijn corvus ‘raaf’, cornix ‘kraai’; Grieks kóraks ‘raaf’, korṓnē ‘kraai’; Iers crū ‘raaf’; bij de wortel pie. *kor- ‘raaf’ (IEW 567), dat wrsch. een klanknabootsing van de roep van de raaf is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

raaf1* [vogel] {ravene, rave(n) 1201-1250} middelnederduits raven, oudhoogduits hrāban, oudengels hræfn, oudnoors hrafn; buiten het germ. latijn corvus, grieks korax, verwant met roek; vermoedelijk klanknabootsend gevormd. Voor de uitdrukking een witte raaf vgl. rara avis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

raaf znw. v., mnl. rāve, rāven m., mnd. rāven, ohd. hraban, raban (nhd. rabe), oe. hræfn, on. hrafn > germ. *hraƀnaz (vgl. op de runensteen van Järsberg 6de eeuw de naam HaraƀanaR met svarabhakti-klinkers). Soms vinden wij assimilatie ƀn > mn vgl. os. nahtram ‘nocticorax’, ohd. hram, oe. hræmn, nnoorw. nzw. dial. ramn (vgl. nnl. plaatsnamen als Ramele, Ramsdonk). Uit een vorm *hraƀƀna is ohd. rappo ontstaan (vgl. nhd. rappe ‘ravenzwart paard’). — lat. corvus ‘raaf’, cornix ‘kraai’, gr. kóraks ‘raaf’, korṓnē ‘kraai’, iers crū ‘raaf’. De naam duidt op het geschreeuw van de vogel, vgl. lat. crepō ‘knarsen, kraken’, oi. kṛpatē ‘jammert’, lett. krepāt ‘slijm uitspuwen’, eig. ‘de keel schrapen’ (Uhlenbeck PBB 26, 1901, 305). Men moet uitgaan van de idg. wt. *(s)ker ‘schreeuwen, geluiden van dieren’ (IEW 569).

Deze wortel is in het nnl. rijk vertegenwoordigd en wel met de volgende afl.
met gutturaal zie: hark, ringen 3 en roek
met labiaal zie: raaf en schrapen
*skerei zie: reiger
*skereu zie: rochelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

raaf znw., mnl. rāve, rāven m. Rāven = ohd. (h)raban, mnd. rāven (os. reeds in naht-ram “nocticorax”), ags. hræfn (eng. raven), on. hrafn m. “raaf”. Zeldzaam- en laat-mnl. rāve is dezelfde vorm en niet = laat-ohd. rabo m. (nhd. rabe), mnd. rāve m. v. “raaf”, waarnaast nog mhd. rappe m. “id.”. In een dgl. verhouding als knaap tot ĝenê-, staat germ. *χraƀan-, * χraƀna- tot de basis ḱer(-ā̆x)- of qer(-ā̆x)-, waarvan ook ier. crû, lat. corvus “raaf”, cornîx “kraai”, gr. korṓnē “id.”, kórax “raaf” komen. Nog ḱer(-ā̆x)- in russ. soróka, lit. szárka “ekster”, qer(-ā̆ x)- in oi. kârava- “kraai” (“unbelegt”). Van een van deze beide (oorspr. onomatop.) bases ook roek en de daar vermelde woorden. Een directe combinatie van germ. χra-ƀ- met lat. crepo “ik knars, kraak”, oi. kṛ́pate “hij jammert” is niet wsch.; wel kunnen deze woorden hoogerop verwant zijn. Een anlautvariant met ḱw- neemt men aan voor serv. svrȁka “ekster” = alb. sor̄ɛ “kraai”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

raaf 1 v. , Mnl. rave(n) + Ohd. raban en rabo (Mhd. rabe, Nhd. rabe), Ags. hræfn (Eng. raven). On. hrafn (Zw. ramn, De. ravn) + Skr. kāravas, Arm. a-grav, Gr. kórax, Lat. corvus, Oier. crú.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Raven Officiële friese naam voor de Raaf ↑ [De Vries 1911; Boersma 1972]. Albarda 1897 noemt de typisch-friese naam niet, zal gedacht hebben dat hij (ongeveer) hetzelfde was als de N naam. Maar het leuke van fries Raven is dat de oorspr. -n hier behouden gebleven is (vgl. E Raven; over de etymologie zie sub Raaf, welk woord een vals enkelvoud is).

Rawet Volksnaam voor de Zwarte Kraai op Terschelling (Midsland, Oosterend) [Zwart 1985]. B&TS 1995 zien hierin het woord voor de op de Zwarte Kraai gelijkende Raaf en fries Raven ↑. Te verklaren blijft dan nog de slotletter -t van de naam. Misschien is het een oud collectief-suffix (zoals in gevogelte, gedierte, geboefte). Aan het zgn. slutartikel, zoals in bijv. het deens voorkomt, kan alleen gedacht worden als Rawe- ten minste onzijdig zou zijn (maar het is mannelijk). Naast Rawet kent het meslânzers (= midslands) ook de Raav (= Roek).

Raaf Corvus corax Linnaeus 1758. Voormalig N broedvogel, die pas sedert 1966 met succes is gereïntroduceerd. Ondanks de zeldzaamheid (zeker in de hier aan voorafgaande eeuw) is de naam altijd een voor het publiek bekende gebleven. Vele uitdrukkingen (zoals Dat is een witte raaf ‘Dat is een grote zeldzaamheid’) en samenstellingen met raven- (ravenzwart ‘zeer zwart’) wijzen daar op. De Raaf komt ook voor in fabels en in Paulus de Boskabouter. Raaf is ook gedurende enige tijd de naam geweest voor de (altijd talrijk geweest zijnde) Zwarte Kraai ↑. Het element -raaf komt ook voor in Nachtraaf en Woudraaf, beide geen Kraaiachtigen.
De naam is een onomatopee. Dit is anders als De Vries 1911 dacht, die meende dat fries Raven misschien zou kunnen samenhangen met oudfries rawia ‘roven’; echter, de klinker van dit ww. gaat terug op germaans au (zie Klankwet nr.21).
ETYMOLOGIE N Raaf (vals enkelvoud) raue (Bern. c.1240), rāven (1270 [VT]), ravene rauon (Willeram 1100 [Schoonheim; Sijs]), als persoonsnaam Chramni (745 [Schoonheim]); fries Raven ↑, oostfries Rawe; gronings Roave raven; D Kolkrabe (<*kol-krâwe), Rabe raben hraban, raban; E Raven hraefn; deens/noors Ravn, noors Ramn, ijsl Hrafn hrafn; gotisch (in persoonsnamen) hrabns; germaans *χraƀna- [VT]. Suolahti 1909 gaat uit van germ *hraƀ-an; hij ziet hierin een verbogen vorm van een primair onomatopoëtisch woord. Lockwood 1993 poneert idg *krop, een klanknabootsing van de roep van de Raaf (qua klank verschillend van de roep “*kraag-” van de Roek ↑). Bij idg *krop- zou germ *χraf- passen. AEW geeft bij oudnoords hrafn idg *(s)kerp. Volgens Klankwetten nr.9 en 10 ↑ gaat idg k > germ h en idg o > germ a, beide overgangen gedemonstreerd in idg cor > germ hart. Bij een idg wortel *(s)k(e)r horen, rekening houdend met metathese van de r: Lat Corvus (>F Corbeau, catalaans Corb, Sp Cuervo (met breking van de klinker), It Corvo, Corvino, roemeens Carb, schots Corbie, nynorsk (Telemark) Korp, zweeds Korp en fins(!) Korppi) en Gr κόραξ kórax. Vgl. onder Roek voor enkele ww.en die ‘krassen’ betekenen. Deze wortel (*(s)ker, *(s)kor, *(s)kr) is geluidsnabootsend; vgl. sub Roek, Reiger en (Aal)Scholver; hierbij de N ww.en roepen en schreeuwen. (Een andere idg wortel bij krijsen en kraaien; vgl. Kraai, Kraanvogel en Notenkraker). Ook in andere taalgroepen valt onomatopoëtische invloed niet te ontkennen (met k- en r- klanken). In de keltische groep is er iers Cru. In de slavische: pools Kruk, tsjechisch Krkavec kruku; in de baltische: lets Krauklis, litouws Kranklys. [NEW (p.582) gaat voor deze namen uit van idg *kreuk *ker, waarvan afgeleid het N ww. rochelen en noors Rugde ‘Houtsnip’.] Buiten het idg is er in de fins-oegrische taalfamilie: estisch Ronk. Fins Korppi is ws. geleend1.
In verscheidene geografische namen komt de vogelnaam voor, al is het in de gevallen van Raamsdonkveer (NB) en Ramsdonk (BB) ws. zo dat de persoonsnamen Hrabno en Hramo, die naar de vogel zijn genoemd (vgl. noors Ramn hierboven) directer bij deze plaatsnamen betrokken zijn. In het geval van Ramskapelle (2x WVl) en Ravensburg (D) is dit zeker zo.

==

1 Fins Korppi kan geleend zijn uit het germaans in een stadium dat de klanken in het germaans nog niet verschoven waren (hier volgens de Klankwetten 9, 10 en 7); er zijn daar andere voorbeelden van. Vervolgens zal het finse woord via de Lappen in het zweeds en noors terecht zijn gekomen, en mogelijk via het oudnoords naar het schots. E.e.a. is tegen de visie van AEW sub korpr. De auteur (Jan de Vries) wijst ontlening af, maar denkt daarbij aan oudfr corb en provençaals corp. Woorden uit zulke ver van Finland afgelegen oorden zijn niet nodig als men van de nog onverschoven germaanse vorm uitgaat!

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

RAAFCorvus corax
Duits Kolkrabe
Engels Raven
Frans Grand corbeau
Fries Raven
Betekenis wetenschappelijke naam: raaf. Raaf is naar men aanneemt een klanknabootsend woord. Dat is ook het geval met de Griekse naam korax, de Oudnoorse hrafn en de Oudhoogduitse hraban. De Duitse naam Kolkrabe, die door enkelen als ‘Kohl-krähe’ is opgevat en door anderen als een weergave van de vogelroep “kolk-rab”, moet o.i. in verband worden gebracht met kolken = braken of boeren, waarmee op het diep uit de keel komende geluid wordt gedoeld. De Engelse naam is door sommigen gerelateerd aan to raven = roven (Oudfries rawia en Fries rave). Andere Nederlandse namen zijn Raav, Raove (Sco), Roaf, Roave (Gr), Ròòvelder (ONB), Gewone Raaf en Grafvogel. Maar vanwege z’n kleur heeft men hem ook een doodaanzegger gevonden. De laatste zou kunnen zijn gevormd uit ‘grauwe vogel’. Een gering aantal voor een destijds in ons land niet zo zeldzame vogel. Zijn vroegere aanwezigheid blijkt uit de afbeelding op het gemeentewapen van Eelde (Dr) en van Ravenstein (NB), waarvan het laatste dus een z.g. sprekend wapen is. Nadat de soort in de eerste helft van de 20e eeuw uit ons land was verdwenen, heeft men hier in 1968 raven ingevoerd en deze naderhand met succes uitgezet. Door z’n grote glanzend zwarte uiterlijk en krassende geluid is de Raaf een imponerende vogel, die dan ook geschiedenis heeft gemaakt. Deze begint al bij Noach, die na de zondvloed eerst een raaf uit de ark losliet, in de hoop dat de vogel zou aantonen dat ergens al land drooggevallen was. De Raaf, als symbool van het krachtige, kwam echter onverrichterzake terug. Later bracht een duif, als symbool van de liefde, het goede bericht. In de Griekse mythologie is de Raaf aan Apollo gewijd, de god van o.a. de schone kunsten, de orde, de harmonie en het zonlicht. Bij de Germanen heette hij Odins- of Wodansvogel. De raven Hugin en Munin, symbolen van wijsheid, vergezelden Wodan wanneer deze op z’n ros door de lucht joeg tijdens de najaarsstormen. Maar meestal zag men hem als een ongeluksbrenger, b.v. als hij op een akker ging rondneuzen, want zei men, dan komt het gewas daar niet op. Duidelijke gezegden zijn ‘stelen als de raven’; ‘hij liegt als een raaf’; in Duitsland de benaming ‘ravenouders’ = ontaarde ouders; ‘een ravenjong’ = een duivel of een schurk. De Raaf zou oorspronkelijk wit zijn geweest, maar omdat hij het water had vervuild (in de ene legende) en van ontrouw beschuldigd werd (een andere legende), is hij als straf in een zwarte vogel veranderd. ‘Een witte raaf’ is dan ook een zeldzaam iemand met een bijzondere kwaliteit. De zeldzaamheid blijkt uit de uitdrukking “Men zou eerder een raaf wit wassen eer men haar het krassen belette”. Het begrip ‘witte’ heeft men ook wel uitgelegd als ‘hongerig’. Toch wordt er wel eens een witte Raaf waargenomen. Rond 1760 moet zo’n albino op een Engels oorlogsschip zijn neergestreken, welk exemplaar in Frankrijk werd opgezet en tentoongesteld. In 1994 werd melding gemaakt van een jonge verstoten albino-raaf bij Apeldoorn, waarover de dierenambulance zich heeft ontfermd. Later bleek dat het een albino Zwarte Kraai was.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

raaf (witte --) (vert. van Latijn corvus albus)
Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

raof (zn.) raaf; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) rauf, Aajdnederlands ravo <1084>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

raaf (de, raven), naam voor drie grote soorten ara, bont gekleurde papegaaien met lange staarten: zie bokraaf*, tjambaraaf* en warauraaf*. We gingen jagen op herten, raven en konijnen*, maar als mijn vader andere dieren ontmoette, zou hij ze ook schieten (Doelwijt 1971: 88). - Etym.: AN r. - kraai-achtige vogel van het noordelijke halfrond (Corvus corax); de overeenkomst met deze is alleen gelegen in het geluid. In oudere lit. vindt men raven (mv. -s), in Sur. als eerste bij Pistorius 1763: 68. S rafroe. - Zie ook: maurisiraaf*, raafparkiet*; papegaai*, parkiet*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

raaf: (hoofs. boekw.), gew. kraai (Corvus corax, fam. Corvidae); Ndl. raaf/rave(n), lg. sedert Mnl. en nog in oostelike dial., maar blb. (soos Ndl. banane en robbe, vgl. Afr. vark, vul, wa) as mv. opgevat en geleidelik verdring d. vorme sonder -n, tot 17e eeu hoofs. in suidelike dial., dog tot ± 1800 in Ndl. en in noordelike dial. nog vorme m. -n; sedert 17e eeu geleidelik oorwig v. raaf, Hd. rabe (al vroeg sonder -n), Eng. raven, hou verb. m. Lat. corvus, “raaf”, cornix, “kraai”, Gr. korax, “raaf”, koronê, “kraai”, asook m. Ndl. roek, Eng. rook, almal wsk. kn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

raaf ‘zangvogel’ -> Fries raven ‘zangvogel’; Sranantongo rafru (ouder: lafroe) ‘ara’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

raaf* zangvogel 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1907. Een witte raaf,

eig. een zeer zeldzame vogel; vandaar: iets, dat zelden voorkomt, iets zeer zeldzaams. Volgens Ovidius, Metam. II, was de raaf oorspronkelijk wit, maar werd hij door Phoibos in een zwarten vogel veranderd, omdat hij had uitgebracht, dat Coronis zich aan ontrouw had schuldig gemaakt. Kwam er sedert dien een witte raaf voor, dan was dat een groote zeldzaamheidTijdschrift XXXIX, 153.. Ontleend aan het lat. corvus albus (Juvenalis, VII, 202), waarvoor ook alba avis (Cicero, ad Fam. 7, 28, 2), doch gewoonlijk rara avis; fri. in witte raven; hd. ein weiszer Rabe, - Sperling. Zie Rose, 8243; Anna Bijns, Refr. 40:

 Maar al sijn de goey cooplien schier witte raven,
 Tsal nog eens beteren, alst God sal gelieven.

Vgl. ook Nieuwe Refr. 37: De goey mans sijn witte raven; Spieghel, 138: Zo zeldzaam als een witte raven; V. Moerk. 577; Van Effen, Spect. IX, 57; Tuinman I, 229; Halma, 530; Harreb. II, 208 en Joos, 26, die als iets zeldzaams opgeeft: witte hazen, witte raven, witte mollen, blauwe honden, waaraan nog is toe te voegen zwarte zwanen (Maerl. Nat. Bl. III, 2150; eng. a black swanWel kent men in het eng. his crow is the whitest ever seen, hij snijdt geweldig op.; witte valken (Harreb. II, 357, 513; een ringelduufken (Twente); fr. un merle blanc.

1908. Al zouden de raven het uitbrengen.

Dit gezegde kan een herinnering bevatten aan het oudgerm. geloof, dat raven tijdingen brachten aan hunnen heerGrundrisz der Germ. Philol. I1, 1010.. Zoo brachten Odin de beide raven Hugin en Munin (gedachte en herinnering) de tijding van al hetgeen zij gezien en gehoord hadden; en volgens een middeleeuwsch verhaal, waarschuwde een raaf zijn heer tegen naderende en dreigende gevaren, en vertelde deze hem ook de ontrouw zijner vrouwIn den middeleeuwschen roman van De Seven Vroeden (vs. 2705) doet een ekster dit; vgl. ook het verhaal van de kraanvogels van Ibykus.. Bij Ovidius, Metamorphosen II, komt echter ook de raaf als. aanbrenger voor, evenals de kraai. In den roman van Willem Leevend VIII, 63 staat: ‘al moesten de hanen het uitbrengen’, dat herinnert aan geen haan zal er naar kraaien en aan het verouderde kraaier, verklikker, aanbrenger; in de Gew. Weeuw. III, 20: Boosheit blijft niet verborgen, al zouden 't de kraayen klappen. Vgl. Verdam in de Handelingen der Maatschappij v. Nederl. Ltk. 1897/98, bl. 73; vooral Volkskunde XXII, 97 vlgg.Ook De Cock in de Verslagen der Kon. Vl. Acad. 1913.; Sloet, De Dieren in het Germ. Volksgeloof, bl. 223 vlgg.; Ons Volksleven XII, 13; H. Beckering Vinckers in Tijdschrift, XXXIX, 153; Antw. Idiot. 705: al zouden het de kraaien uitbrengen; Waasch Idiot. 369: de kraaien zullen 't uitbringen, de zaak zal wel eens gekend worden (evenzoo Teirl. II, 178).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut