Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

quorum - (noodzakelijk aantal stemmers)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

quorum zn. ‘noodzakelijk aantal stemmers’
Nnl. quorum ‘een wettelijk aantal leden, dat in een volksvertegenwoordiging aanwezig moet zijn om een besluit te kunnen nemen’ [1886; Kramers].
Ontleend aan Engels quorum ‘het minimale aantal leden van een lichaam dat aanwezig moet zijn voor het nemen van geldige besluiten’ [1616; OED], eerder al ‘alle leden van een select gezelschap’ [1602; OED] en ‘noodzakelijk aanwezige rechtsprekenden’ [1455; OED]. Het woord gaat terug op het Latijnse betrekkelijk voornaamwoord quorum ‘van wie’, het eerste woord van een in het middeleeuws Latijn gestelde formule die werd uitgesproken bij de installatie van een commissie: quorum vos ... unum (duos, enz.) esse volumus ‘van wie wij willen dat u er één (twee enz.) bent’. Latijn quorum is de genitief mv. van quis ‘wie’, verwant met → wie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

quorum [aantal leden dat voor stemming aanwezig moet zijn] {1886} < engels quorum, uit een in Engeland in de Middeleeuwen gebruikelijke formule, gebezigd bij de installatie van commissies quorum vos … unum esse volumus [van wie wij willen dat gij er één zijt], quorum, 2e nv. mv. van quis [wie?].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

quorum znw. o. ‘aantal leden van een lichaam, waarvan de aanwezigheid nodig is voor het nemen van besluiten’, een uitdrukking van de eng. parlementaire taal en eig. het eerste woord van de uitdrukking quorum maxima pars.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kworum: minimum getal aanwesige lede om ’n vergadering wettig te maak; intern. wd., meest. nog in Lat. vorm quorum, “van wie”, d.w.s. ’n liggaam het soveel lede van wie soveel aanwesig moet wees ... (Lat. quorum gen. mv. v. betr. vnw. qui).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

quorum (Engels quorum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

quorum ‘aantal leden dat voor stemming aanwezig moet zijn’ -> Indonesisch korum, kworum ‘aantal leden dat voor stemming aanwezig moet zijn’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

conservatief [politiek behoudend] (1848). In 1848 breken overal in Europa revoluties uit. Een direct gevolg hiervan was een grondwetswijziging naar Engels voorbeeld, op initiatief van de liberale politicus Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). De invloed van Engeland op de Nederlandse politieke ontwikkelingen is in deze periode zeer groot, en als gevolg daarvan worden er veel Engelse politieke termen overgenomen, zoals conservatief, debater, demonstratie (‘betoging’), imperialisme, internationaal, parlement, pragmatisme, protectionisme en quorum. De nieuwe staatsinrichting in de negentiende eeuw zorgt sowieso voor allerlei nieuwe termen in het Nederlands, zoals actief kiesrecht, passief kiesrecht, kieswet en volksvertegenwoordiging. Neerlandicus Jan te Winkel zegt hierover in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “Zoo heeft de meer democratische regeeringsvorm van 1848 allerlei woorden in onze spreektaal ingevoerd, die of geheel nieuw waren of te voren slechts nu en dan waren geschreven. Daar het jeugdig parlementarisme zich het zooveel oudere en meer ontwikkelde Engelsche in menig opzicht tot voorbeeld nam, kwamen er als van zelf ook Engelsche woorden in de mode, als budget (naast “begrooting”), club, en daarvan de jongere samenstelling kamerclub, meeting en speech [...]. Partijnamen ontstonden als clericaal en christelijk-historisch, behoudend en vooruitstrevend (’t laatste nog jong, zooals over het algemeen het streven zonder nader aangeduid doel), socialistisch (of sociaal, zooals het volk zegt) en radicaal, dat nu ook absoluut gebruikt kan worden, terwijl men vroeger alleen van “radicaal bedorven”, enz. kon spreken. Tamelijk nieuw zijn ook nog monsterverbond, kiesplicht, stemplicht, dienstplicht, leerplicht , schoolplicht. Tot het allernieuwste (sinds 1897 bekend) behoort ook stempotlood.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

quorum aantal leden dat voor stemming aanwezig moet zijn 1886 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal