Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pyjama - (nachtkleding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pyjama zn. ‘nachtkleding’
Nnl. pyjaamahs ‘'vrouwen-tabbaarden’‘ [1837; Ned.mag. 4, 101], pyjamas ’nachtkleren voor mannen, nachtpak‘ [1908; Elffers/Viljoen], pyjama ’licht en ruim nachttoilet, bestaande uit broek en jasje‘ [1912; Kramers].
Ontleend aan Engels pyjama ’nachtkleding‘ [1893; OED], ook wel, en later uitsluitend, in de meervoudsvorm pyjamas ’id.‘ [1866; OED], Amerikaans-Engels pajamas [1845; BDE], naar analogie van diverse andere kledingstukken zoals breeches, trousers ’broek‘. De oudste attestatie in een Engelse tekst is pai jamahs [1800; OED]. Het woord is ontleend aan Hindi of Urdu pājāma, pāi jāma, dat zelf ontleend is aan Perzisch pāe jāmah, letterlijk ’beenbekleding‘, uit pāe ’voet, been‘ en jāmah ’bekleding, kledingstuk‘.
Oorspr. had het woord alleen betrekking op een luchtig en comfortabel kledingstuk voor het onderlichaam. De Engelse kolonisatoren hadden het dragen van deze wijde broeken, die in Voor-Azië zowel door mannen als vrouwen gedragen werden, vooral als nachtkleding geadopteerd, en zo vond zowel het kledingstuk als het woord verspreiding buiten Azië.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pyjama [nachtkleding] {1901-1925} < engels pyjamas, pajamas [idem] < hindi pājāma, pāyjāmā [beenbekleding], van jama [kledingstuk] + perzisch [been, voet].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pyjama znw. m., eerst sedert de 20ste eeuw < ne. pyjama < hindost. pāējāma ‘om de heupen geknoopte losse broek’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pyzjema (zn.) pyjama; Nuinederlands pyjama <1908> < Ingels pyjama.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pajamas s.nw.
Slaapklere.
Uit Eng. pajamas of pyjamas (1800). Sedert die einde van die 19de eeu in Afr.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pajama: – pijama – , slaappak; Ndl. piama/pyama (20ste eeu); Eng. (1800) pyjamas (Am.-Eng. pajamas), Hindo. paejama (Pers. pae/pai, “voet”, en gamah/jamah, “bekleding”) – oorspr. wye broek v. heupe tot oor voete, later slaapbroek en dan slaappak; in S.A. sedert end vorige eeu en vervang dan geleidelik d. ouderwetse “naghemp”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pyjama (Engels pyjamas, mv.)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pyjama ‘nachtkleding’ -> Indonesisch piama, piyama ‘slaapkleding bestaande uit jasje en lange broek’; Boeginees piâma ‘nachtkleding’; Madoerees piyama ‘nachtkleding’; Makassaars piâma ‘nachtkleding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pyjama nachtkleding 1912 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut