Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

puur - (zuiver)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

puur bn. ‘zuiver’
Mnl. pure ‘zuiver, rein, onvermengd’ in Want si es ene pure mage ‘want zij is een zuivere maagd’ [1265-70; VMNW], ne gheen uogel leuede in pure lucht ‘geen vogel zou blijven leven in niets dan lucht’ [1287; VMNW]; vnnl. puur, ook als versterkend bn. in pure Vyanden [1672; WNT].
Ontleend aan Oudfrans pur ‘zuiver’ [980; Rey], ontwikkeld uit Latijn pūrus ‘rein, helder, zuiver, duidelijk’.
Latijn pūrus is verwant met: Oudiers úr ‘nieuw, vers’, Welsh ir ‘id.’ (< Proto-Keltisch *fūro-); < pie. *puH-ro-, afleiding van de nultrap van de wortel *peuH- ‘reinigen’ (LIV 480), waarbij ook: Oudhoogduits fowen ‘zeven, graan reinigen’ (voor deze betekenis zie ook → rein); Sanskrit punā́ti ‘zuivert’. Hierbij ook de afleiding pie. *puH-to-, waaruit: Latijn putus ‘schoon’; Sanskrit pūtá- ‘schoon’; Avestisch pūtika- ‘zuiverend’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

puur [zuiver] {puur, puer 1265-1270} < frans pur < latijn purus [rein, zuiver] (vgl. puren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

puur bnw., mnl. puur > fra. pur of lat. pūrus ‘zuiver’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

puur bnw., mnl. puur. Uit lat. pûrus of fr. pur. Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

puur bijv., gelijk Hgd. pur, Eng. pure, uit Fr. pur, van Lat. purum (-us) = zuiver, van denz. wortel als putare: z. ent.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

puur (Frans pur)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

puur ‘zuiver’ -> Negerhollands pi ‘zuiver’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

puur zuiver 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal