Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

putting - (bevestiging van het want)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

putting [bevestiging van het want] {1657} < verouderd engels puttock.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

putting znw. v. ‘samenstel van schakels of stangen die de touwen van het hoofdwant aan de rust verbinden’ (eerst sedert 1657), nnd. pütting ( > nde. pyttingbolt, noorw. puttingbolt ‘bout van de putting’) < ne. puttock (sedert 1625).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

putting znw., nog niet bij Kil., wel bij Winschooten (1681), ndd. pütting. Ontleend: de. pyttingbolt, noorw. puttingbolt “puttingbout”. ’t Eng. heeft futtock “putting, oplanger”, dat uit foot-hook wordt afgeleid (vgl. de oude benaming knee). Misschien is putting hieruit vervormd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

putting v., + Ndd. en Hgd. pütting, De. pytting; daarnevens Eng. futtock: oorspr. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

putting(s) ‘bevestiging van het want’ -> Deens pytting ‘bevestiging van het want’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds putting ‘want dat de mars steunt’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins puttinkivanti ‘bevestiging van het want’ ; Russisch púten', pútens ‘sterke ijzeren steun voor het onderste deel van het wand’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut