Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

puts - (scheepsemmer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

puts, putse [scheepsemmer] {putse, pudse 1445} mogelijk een imitatie van het typische geluid dat de puts maakt als men deze om haar goed te vullen ondersteboven op het water slaat. Daarnaast is verband met het ww. putten hoogstwaarschijnlijk, mogelijk is dit uitgangspunt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

puts znw. v. ‘scheepsemmer’, mnl. putse (Brielle), Kiliaen putse (Holl. Zeeland.). — Dit in het bijzonder hollandse woord is zeker niet uit ofra. puche (afl. van pucher = puiser ‘putten’) gekomen (zo Salverda de Grave, Franse Woorden in navolging van Verdam), maar zal eerder een klankwoord zijn, dat door het ww. putten kan opgewekt zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

puts znw. Kil. “putse. Holl. Zeland.”, mnl. putse (Brielle). De afl. uit oudpic. puch (< lat. puteus; zie put) is niet wsch.; dan eer uit puche (van pucher = fr. puiser). [Ook de Antw. vorm puzie (naast pus en ’t weinig klare tarpuzie) zou daarvan kunnen komen.] ’t Is echter onzeker, of dit in ouderen tijd alleen uit ’t Zeeuwsch-Holl. bekende woord uit ’t Fr. komt. Met de oorspr. bet. “gezwollen voorwerp” bij puit? Ook zeer onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

puts m., Mnl. putse, verbaalabstr. van putsen, uit Pic. pucher, Fr. puiser, Lat. puteare, denom. van puteus: z. put. Van hier Ndd. pütse, püsse, Hgd. pütze, en verder Zw. pytts, De. pøs; cf. nog Waasch pus, puzie, Antw. id. en poes(je), met samenst. teir-, tārpuzie, d.i. puts voor teer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pus 1, puzzie, poesj(e), zn.: scheepsemmertje, puts. Ook Vlaams puzze, puzzie, putse, peuze, poeze. Mnl. putse, pudse ‘scheepsemmer’, Vnnl. putse ‘scheepsemmer’. Ndd. Pütz ‘scheepsemmer’. Afl. van Ofr., Opic. puch(i)er ‘putten’ < Lat. puteus ‘waterput’. Vgl. 1348 Putsvinage in Beloeil (Henegouwen) < Lat. puteus vicinaticus ‘openbare waterput, buurtput’, pln. Estaimpuis = 1226 Steinputs, 1432 Steynpuuts, FN 1304 dou puch, 1396 du pudts, Ieper. Samenst.: tarpuzzie ‘geteerde puts’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

puzze zn. v.: emmer, puts, scheepsemmer, blikken kannetje. Vanwege de ronde vorm van zo’n emmer wordt puzze ook gezegd van een ‘dikke, gedrongen vrouw/man’, b.v. dikke puzze, vetpuzze. Het Ndl. woord puts ook in oostelijk ZV. Ook Wvl. Mnl. putse, pudse ‘scheepsemmer’, Vnnl. putse ‘scheepsemmer’. Ndd. Pütz ‘scheepsemmer’. Afl. van Ofr., Opic. puch(i)er ‘putten’ < Lat. puteus ‘waterput’. Vgl. 1348 Putsvinage in Beloeil (Henegouwen) < Lat. puteus vicinaticus ‘openbare waterput, buurtput’, pln. Estaimpuis (Henegouwen) = 1226 Steinputs, 1432 Steynpuuts, FN 1304 dou puch, 1396 du pudts, Ieper.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

puzze (Boekhoute, ZV), poeze (G), zn. v.: emmer, puts, scheepsemmer, blikken kannetje. Het Ndl. woord puts ook in oostelijk ZV. Ook Wvl. Mnl. putse, pudse 'scheepsemmer', Vnnl. putse 'scheepsemmer'. Ndd. Pütz 'scheepsemmer'. Afl. van Ofr., Opic. puch(i)er 'putten' < Lat. puteus 'waterput'. Vgl. 1348 Putsvinage in Beloeil (Henegouwen) < Lat. puteus vicinaticus 'openbare waterput, buurtput', pln. Estaimpuis = 1226 Steinputs, 1432 Steynpuuts, FN 1304 dou puch, 1396 du pudts, Ieper.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

putse (DB, Zeebrugge), puzze (DB: B, O, Z), puzzie (WVD), peuze (O), puize (O), zn. v.: slagputs, oorspr. een kleine emmer van zeildoek om buiten boord water te scheppen; (ook) aarden buikvormige kruik (DB). Mnl. putse, pudse ‘scheepsemmer’, Vroegnnl. putse ‘situla nautica’ (Kiliaan). Ndd. Pütz scheepsemmer’. Afl. van Ofr., Opic. puch(i)er ‘putten’ < Lat. puteus ‘waterput’. Vgl. 1348 Putsvinage in Beloeil (Henegouwen) < Lat. puteus vicinaticus ‘openbare waterput’, pln. Estaimpuis = 1226 Steinputs, 1432 Steynpuuts, FN. 1304 dou puch, 1396 du pudts, leper (Beele).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

puts I: (enigsins veroud. v.) emmer (veral v. leer of seil), leef o.a. nog in ss. teerputs (lett. en fig.); Ndl. en dial. puts(e)/pu(t)s (by Kil reeds putse) wsk. uit Holl.-Se. seemt. in het. “skeepsemmertjie v. leer of seil”, ’n enkele keer d. vRieb as “balie” aangedui, origens aldaar puds, pudsen, waterputs, kan verb. hou m. Ndl. put (s.nw.) of m. putten (ww.) en in lg. geval kn. wees.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

puts ‘scheepsemmer’ -> Duits Pütz ‘kleine emmer’; Deens pøs ‘scheepsemmer’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pøs ‘(scheeps)emmer’; Zweeds pyts ‘(kleine) emmer (van leer)’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins pytty ‘kleine houten schaal; bokaal; motorcilinder; wc-pot’ ; Papiaments pes ‘scheepsemmer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

puts scheepsemmer 1445 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut