Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

put - (gegraven diepte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

put zn. ‘gegraven diepte’
Onl. putti, putte ‘waterput, gegraven schacht’ in de plaatsnaam Puthem ‘Putten (Gelderland)’ [855; Künzel], noh ne antlūke ovir mi putte munt irō ‘laat ook niet de put zijn mond boven mij toesluiten’ [10e eeuw; W.Ps.], thu bist puzza therro quekken wazzaro ‘gij zijt een put van levende wateren’ [ca. 1100; Will.]; mnl. put, putte, pitte ‘gegraven waterput, gemetselde waterbak’ in dat gi met ons gaet ten putte ‘dat u met ons meegaat naar de put’ [1276-1300; VMNW], ‘groeve, diepte, afgrond’ in haren putte grondeloes ‘haar peilloze diepte (van de liefde)’ [1265-70; VMNW], ‘kuil, groeve’ in viele eene beeste in eenen pitte [1285; VMNW], ‘indeuking’ in duwen der op ende bliver .iij. staende putten ‘erop duwen en als er drie deuken achterblijven ...’ [1351; MNW-P]; vnnl. put, putte ‘vergaarbak voor water; kuil, groeve, poel; hol, onderaardse kerker’ [1599; Kil.].
Vroege Germaanse ontlening aan Latijns puteus ‘gegraven kuil, put, schacht’, mogelijk een afleiding van putāre ‘snijden, snoeien’, verwant met pūrus ‘zuiver’, zie → puur. In een aantal dialecten, o.a. Noordzee-Germaanse, is de -u- ontrond tot -i/e-.
Os. putti (mnd. putte ‘put, kuil, poel’); ohd. pfuzzi, pfuzza (nhd. Pfütze ‘poel, plas’); ofri. pett ‘waterkuil, put’; oe. pytt ‘gat, kuil, schacht’ (ne. pit); on. pyttr ‘put’ (nde. pyt ‘plas, poel’).
putten ww. ‘water ophalen; ontlenen’. Mnl. putten ‘uit een put scheppen, water ophalen’ [1240; Bern.], quam en wijf uan Samarien putten born utin putte ‘kwam een Samaritaanse vrouw water putten uit de put’ [1291-1300; VMNW], ook pitten, petten in Scepvaten daer men dat brouwater in pet ‘schepvaten waarin men het water schept voor de brouwerij’ [1374-94; MNW], ook bij overdracht ‘ontlenen aan, halen uit’ in Daer worden die reyn weelden wt gheputtet ‘daar worden de zuivere vreugden aan ontleend’ [ca. 1450; MNW]; vnnl. bij overdracht ‘verkrijgen, betrekken’ in dan is de regten stont Te putten vast besluyt oock uyt een teeren mont ‘dan is het de juiste tijd om ook uit een tedere mond een vast besluit te vernemen’ [1625; WNT]; nnl. putten ‘ontlenen, verkrijgen’, geloofwaardige berichten ... uit goede bronnen geput [1865; WNT]. Afleiding van put.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

put [gegraven opening met water] {in de plaatsnaam Puthem, nu Putten (Gld.) <855>, oudnederlands putte 901-1000, middelnederlands put} < latijn puteus [kuil, put, bron, regenbak]. De uitdrukking in de put zitten is mogelijk ontleend aan het ganzenbord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

put znw. m., mnl. put, pit, pet, m. putte, pitte m. v. ‘put, kuil, poel, greppel, afgrond, hol’, mnd. putte m.v. ‘kuil, put, poel, plas, goot’, ohd. pfuzzi m., pfuzza v. ‘put, bak, poel’ (nhd. pfütze v.), ofri. pet m. ‘put, plas’, oe. pytt m. ‘kuil, put, poel’, on. pyttr m. ‘poel’ < lat. puteus ‘waterput’. Een zeer vroege ontlening, daar zij geschied zal zijn voor de migratie van de Angelsaksen (de u is nog kort en de t werd nog als explosief uitgesproken).

Intussen is de mogelijkheid van een gelijksoortig germ. woord niet uit te sluiten. Daarop kan allereerst wijzen, dat de bet. ‘poel, waterplas’ zo algemeen naast die van ‘put’ optreedt. Dit is zelfs de enige bet. van on. pyttr. Daarnaast staat nu ook nnoorw. dial. pøyta ‘poel’, zodat het woord ablaut vertoont. Dit geldt ook van oost-fri., westf. pot. Men heeft dus wel het recht te denken aan een germ. *pauta, putta (Johansson KZ 36, 1900, 353). Dan staat het dus verder in verband met pot. Later is dan vermenging met het aan het lat. ontleende woord gekomen. — Voor de verdeling van de verschillende vormen put, pöt, pit, pet zie de taalkaart bij van Ginneken, Taaltuin 1, 1932-3, 149. V. Verstegen, Hand. Comm. Top. Dial. 17, 1943, 302 toont op zijn kaart aan dat pet westvla. en pit Zeeuws is. — Gaat men van een germ. *put uit, dan kan men verder aanknopen aan nhd. dial zwab. put ‘poot, hand’, pruisisch putt ‘vruchtknop’, zelfs met ne. put ‘slaan, stoten’ en dan met Hilmer, Schallnachahmung 204 op een klankwortel voor slag of stoot teruggaan; maar daarmee komt men op zeer onzeker terrein. — Ook H. Kuhn, ZfdMaf. 28, 1961, 9-10 verwerpt een directe ontlening aan lat. puteus, vooral wegens de nnd. (ook nnoorw. nzw.) bijvorm putt met geminaat en zonder umlaut. Daarom denkt hij aan oerverwantschap van het germ. en lat. woord en verklaart de tenuis van put door een ontlening na de klankverschuiving uit een onbekende idg. substraattaal. — Met nl. kolonisten kwam het woord naar het gebied ten O. van de Elbe tot ver over de Oder als pütte, pütten (vgl. Teuchert Sprachschatz 276-281 met kaartje).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

put znw., mnl. put (pit, pet), putte m. v. “put, kuil, poel, greppel, holte, afgrond, hol”. = onfr. putte m. “puteus”, ohd. pfuzzi m., pfuzza (opperdu. buzza) v. “puteus, cisterna, palus” (nhd. pfütze v.), mnd. putte m. v. “kuil, put, poel, plas, goot”, ofri. pet m. “put of plas”, ags. pytt m. “kuil, put, poel” (eng. pit), on. pyttr m. “id.”. Vroege ontl. — wsch. vóór de Angelen en Saksen ’t continent verlieten — uit lat. puteus “kuil, put”, misschien via vroeg-rom. *putiu. De hypothese, dat ’t woord put echt germ. zou zijn en met westf. pôt m. “plas”, noorw. dial. pøyta “id., modderpoel”, oorspr. = “concave holte” van de bij puit besproken basis komen, is minder voor de hand liggend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

put m., Mnl. put, pit, Onfra. putte, gelijk Hgd. pfütze, Eng. pit, Zw. putt, De. pyt, Fr. puits, uit Lat. puteum (-us). — Hetz. w. is synon. van schacht als kubieke maat bij aardwerken, en bet. ook de ploeg werklieden die aan een schacht bezig zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pöt (zn.) put; Aajdnederlands putte <855> < Frans puteus.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

putjie s.nw.
1. Klein put, gaatjie. 2. (gholf) Gaatjie in 'n setperk.
In bet. 1 uit Ndl. putje, 'n afleiding van put 'opening in die grond, gat'. Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. hole (1808 - 1818).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

put: ik zit in de put, soort kinderspel. Op maannachten speelden wij tjoe*-redi-kaka, of ik-zit-in-de-put of schuiltje* (Dobru 1969: 18).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

put 'waterput'
Onl. put, pit, mnl. put, pit, pet, putte, pitte 'waterput, kuil, poel, greppel, afgrond, hol', ofri. pet 'put, plas', mnd. putte 'kuil, put, poel, plas, goot', ohd. pfuzzi, pfuzza 'put, bak, poel', oe. pytt 'kuil, put, poel', ono. pyttr 'poel'. Vroege ontlening aan lat. puteus 'gegraven kuil, waterput, schacht'. In turfgebieden ter aanduiding van een gegraven kuil waarin water staat. In Zeeland onder andere ter aanduiding van een wiel, een greppel en zelfs van een geul. In de Middelnederlandse uitdrukking put ende pael is de betekenis 'grensvormende greppel'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 855 kopie ca. 900 Puthem (→ Putten2)1, 918-948 kopie 11e eeuw Pathem, 1e helft 11e eeuw Petheim (→ Petten)2 , eind 11e eeuw kopie 12e-13e eeuw puteum Rorikspit (in de omgeving van Heiloo of Huisduinen)3.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 293, 2Idem 289, 3Idem 305.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

put (Latijn puteus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Put, van ’t Lat. puteus = put.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

put ‘gegraven opening met water’ -> Duits dialect Pütten, Pütte, Püt, Putte ‘gegraven opening met water, bron’; Negerhollands pit, put ‘wel, bron’; Sranantongo peti ‘gegraven opening met water, bron’; Sarnami peti ‘gegraven opening met water, bron’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

put gegraven opening met water 0855 [Claes] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1058. Als 't kalf verdronken is, dempt men den put,

d.w.z. ‘men doet iets te vegeefs, en te laat, als het niet meer baaten kan, gelyk medicyne te bereiden, na dat de kranke gestorven is’ (Tuinman I, 111); met raad na daad komen; eene gedachte die de Romeinen uitdrukten door clipeum post vulnera sumere; vgl. mlat. post furtum stabulum sero reparatur eqnorum; sero subtractis reparas presepe caballis (Werner, 89). In de oudste spreekwoordenverzamelingen luidt deze zegswijze: Als 't kint verdroncken is, so stopt (of deckt) men den put(te); zie Prov. Comm. 15; Servilius 89; 253; 271; Sart. I, 1, 63; Campen, 111. Bij Spieghel, 272: Alst kalf verdroncken is, zoo demptmen de put; Idinau, 12:

Hy stopt den put als 't kalf is verdroncken;
Dat past op alle, die te spade wijs zijn.

Vgl. verder Poirters, Mask. 118: Raedt naer daet, komt te laet: en den put te stoppen als 't calf verdroncken is, of suycker te stroyen op de vlaey als sy verbrandt is, dat is domme liedens werck; Pers, 461: Als 't kalf alreede was verdronken (toen het te laat was). De tegenwoordige vorm van het spreekwoord wordt, volgens Harrebomée, aangetroffen bij Gruterus I, 93 en op 23 Sept. 53: Alst kalf verdroncken is, zoo demptmen de put; Vad, Mus. V, 372: Après dommaige chascun est sage, elc leert t' zynen coste, of: als 't calf verdroncken is, dan vultmen den putZie Breughel, no. 41 en Stallaert II, 30.. Varianten van dit spreekwoord zijn het mnl. alst peerd verloren es slut men den stal naast t' is te late den stal sluyten, als het peerdt verloren is (Goedthals, 18); t' is te laet de gracht ghevult, alst calf verdroncken is; het is te laet de koey gesloten als het vogelken weg is (Adag. 34); 't gat stoppen als 't goet quyt is, is sorghen als 't geen tyt is (Huygens VI, 214); 't is te laet het stal te sluyten, als de osse is daer buyten (De Brune, 328). Zie verder Harrebomée III, 243; 411; Bebel, no. 543; Borchardt, 215, waar enkele lat. spreekwijzen worden opgegeven; Taalgids IV, 245; Joos, 92 en Ons Volksleven V, 162; vgl. ook het Friesch: de dobbe damje as 't kealtsje forsûpt is; hd. wenn's Kalb ersoffen ist, deckt der Bauer den Brunnen zu (Wander II, 1104); eng. when the steed is stolen, the stable-door is locked; in het Waalsch: il est trop tard de boucher la haie, quand la vache est partie.

1902. Als (het) puntje bij (het) paaltje komt,

ook als putje (pitje) bij paaltje komt (Top Naeff, Het Veulen, bl. 310) of als 't tot puntje paaltje komt, d.i. als het op stuk van zaken aankomt, als het op de uitvoering aankomt, als 't op zijn punt of zijn stuk komt, zooals men in Zuid-Nederland wel zegt (Antw. Idiot. 1007; 2075; fr. venir au point; eng. to come to the point), als de noot gekraakt wordt, als de knijper op den staart komt. Vgl. Nkr. I, 24 Nov. p. 2: Maar als puntje bij paaltje komt; VI, 24 Febr. p. 2: Och als puntje bij paaltje komt dan halen onze dierbare broederen wel bakzeil; De Amsterdammer, 7 Dec. 1913, p. 1 k. 3: Als dan puntje bij paaltje komt kan men dien officieelen geweldenaars niet euvel duiden, zoo zij eens doen wat van hun beroep en hun roeping is; Handelsblad, 8 Nov. p. 1 k. 2 (ochtendbl.): Het is hard voor zulke heeren dat zij, wanneer het puntje bij het paaltje komt, blijk geven van een naïviteit, enz.; 16 Juni 1914, p. 5 k. 4 (avondbl.): Duitschland en Oostenrijk vragen zich af, of zij, wanneer het puntje bij het paaltje komt, wel veel steun zullen krijgen van hun bondgenoot; De Arbeid, 31 Jan. 1914, p. 4 k. 2: Nu komt juist het puntje bij 't paaltje; Het Volk, 23 Mei 1914, p. 1 k. 4: Als het puntje bij paaltje komt, draai ik mij er wel op de een of andere manier uit!; 2 Juli 1914, p. 2 k. 4: Nu is het puntje bij het paaltje gekomen; 12 Oct. 1914, p. 2 k. 3: 't Lijkt wel wat zonderling, dat men eerst alle bewoners letterlijk heeft weggejaagd door een dikke bravour-mededeeling en dat men, toen 't puntje bij 't paaltje kwam, al die bravour heeft laten varen; Nkr. VIII, 21 Nov. p. 2; Propria Cures XXVI, 188: Toen 't puntje aan 't paaltje kwam, deed de partij overal mee aan het toestaan der budgetten; enz. Hiernaast putje bij paaltje houden, wat bijeen hoort, ook bijeen houden, zich bij zijn leest houden, consequent blijven (Ndl. Wdb. XII, 19); van pitje tot paaltje iets verhalen (Spaan, 480; Harreb. II, 159). De oorspr. dezer allitereerende zegswijzen is onbekend. Waarschijnlijk bewaren zij eene herinnering aan het mnl. putten ende palen, puttepalen of pittepalen, de grenzen van een gebied door putten (kuilen) en palen aanwijzen, nauwkeurig nagaan wat iemand toekomtMnl. Wdb. VI, 59; 790..

1903. In den put zitten,

d.w.z. in verlegenheid zitten; neerslachtig zijn, down zijn (eng. to be down or in the downs); wellicht ontleend aan het ganzenbord; vgl. Harrebomée II, 205: Die in den put zit, moet wachten, tot hij verlost wordt; Handelsblad, 9 Juli 1922, p. 9 k. 1: Het lijdt geen twijfel dat wij hier in den put zitten, diep in den economischen put of economisch diep in den put; Nkr. VIII, 7 Nov. p. 4: Een leening? en 't volk diep in de put?; 14 Nov. p. 1: Ja, m'n jongen, je ouwe vader zit leelijk in den put; Nkr. IX, 31 Juli p. 2: Gij zult wel ten naasten bij weten, hoe diep uw vriend Batavus thans in de put is gezeten; Nederland, Aug. 1914, p. 432: Mannetje, er staan bij mij kamers te huur, ik zit zelf in de put, dus.... - Iemand in den put helpen in Het Volk, 21 Juli 1915, p. 5 k. 3: De leiding van het veldleger is tegen haar taak niet opgewassen. Het beginsel van ancienniteit zal ons in dezen tijd onvermijdelijk in de put helpen; fri. hy siet dêr raer yn 'e put, hij zat daar in benarden toestand; Gallée, 35: in de pûte (verwarring met pütte?) kommen, in verval geraken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut