Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

purper - (paarsrode kleurstof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

purper zn. ‘paarsrode kleurstof’
Mnl. purper ‘purper, purperkleurig weefsel of gewaad’ in Van purpre dats ... ghedaen alse die fine ghernaten ‘van purper dat doet denken aan de fraaie granaatstenen’, met purpure ghecleet ‘gekleed in purperen gewaden’ [beide 1285; VMNW].
Ontleend via Latijn purpura ‘purper’ aan Grieks porphúrā ‘purperslak; purperkleurstof; purperen kleed of gewaad’, van onzekere verdere herkomst.
De kleurstof purper werd in de oudheid gewonnen uit een bepaalde slakkensoort, de purperslak (Murex brandaris), en was zeer kostbaar. Er bestaat een heel scala van purpertinten, variërend van paars tot vermiljoen en afhankelijk van de hoeveelheid blauw die de kleurstof bevat. In de klassieke tijd neigde de kleur purper waarschijnlijk meer naar vermiljoen-rood. Binnen de rooms-katholieke kerk is paars-purper de kleur die bij het bisschopsambt hoort, terwijl de meer vermiljoen-rode variant gebruikt wordt voor de kleding van kardinalen; dat laatste verklaart het woord (het) kardinaalspurper ‘kardinaalsmantel’. Met purper wordt in onze tijd meestal een helderpaarse kleur bedoeld; in het NN is het woord → paars gebruikelijker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

purper [paarsrood] {purper, purpur [purper, staatsiegewaad] 1285} < latijn purpura [purper, purperen gewaad] < grieks porphura [purperslak, purper, purperen stof] (vgl. porfiriet).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

purper znw. o., mnl. purper m. purpure v. ‘purper, kostbare stof, staatsiekleed’, evenals mnd. purper, purpur ‘purper, zijden stof’, laat-ohd. purpura, mhd. purpur, purper (nhd. purpur), oe. purpure ‘kostbaar kleed’, on. purpura, purpuri m. ‘purperstof’ < lat. porpura ‘purperkleur’ < gr. porphýra ‘purperslak, de daaruit gemaakte kleurstof, daarmee geverfde stof’. — Een dissimilatie-vorm is oe. purple ‘purpergekleurd’, ne. purple.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

purper znw. o., mnl. purper m., purpure v. “purper, kostbare stof, staatsiekleed”. Evenals laat-ohd. purpura v., mhd. purpur, purper m. v. “kostbare stof, kostbaar kleed” (nhd. purper), mnd. purper, -ur “purper, zijden stof”, laat-on. purpura v., -i m. “kostbare stof of kleed”, ags. purpure v. “purperen kleed” uit lat. purpura “purperslak, purperkleur, purperen stof, staatsiekleed” (gr. porphúra). Evenzoo got. paúrpaúra v. “purperkleed”. Eng. purple (met dissimilatie) wordt wel uit ’t Fr. afgeleid.

[Aanvullingen en Verbeteringen] purper. Reeds ags. purpl “purpureus”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

purper (slot). Reeds ags. purpl ‘purperen’ (of purple v. ‘purperen kleed’?) = eng. purple (vgl. v.Wijk Aanv.). Wegens het vroege voorkomen eerder uit het Lat. dan het Fr.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

purper o., gelijk in alle Eur. talen, uit Lat. purpuram (-a), van Gr. porphúra = purperslak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

purpel, pulper, pilper, zn., bn.: purper, paars. Met Brabantse r/l-wisseling uit purper, ook wel door dissimilatie. Pilper door ontronding.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

purper (Latijn purpura)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Purper. Deze verfstof werd reeds in de vroege oudheid vervaardigd, naar het heet ’t eerst door de Phoeniciërs. Dit volk maakte het purper uit de schelpdieren der Middellandsche zee, vooral uit de z.g. purperslakken, welke uit een klier het vocht afzonderen, waarvan de verfstof bereid wordt. Deze kleur gold voor de schoonste, die de Ouden kenden, zoodat purperen kleederen (mantels, enz.) alleen door de hoogsten des lands gedragen mochten worden. Zoo beteekent nog heden de uitdrukking: “met het purper bekleed worden”, of “het purper verkrijgen”: tot kardinaal verkozen worden. Tegenwoordig maakt men purper uit de orseille (een soort van zeemos) en uit bestanddeelen van de teer; dit purper is beter dan het slakkenpurper.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Purper, van ’t Lat. purpura, Gr. porphura = purperslak. Met het „purper” bekleed worden = tot kardinaal worden benoemd, naar den purperen mantel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

purper ‘paarsrode kleur’ -> Fries purper ‘paarsrode kleur’; Negerhollands purpur ‘paarsrode kleur’; Papiaments † purpe ‘paarsrode kleur’; Sranantongo porpru ‘paarsrode kleur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

purper paarsrode kleur 1285 [CG Rijmb.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut