Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pupil - (deel van het oog; minderjarige, leerling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pupil 1 zn. ‘deel van het oog’
Mnl. pupille ‘pupil, oogappel’ [1351; MNW-P].
Ontleend, al dan niet via Frans pupille ‘id.’ [1314; Rey], aan Latijn pūpilla ‘pupil’ een poëtische betekenisuitbreiding van ‘weesmeisje’, in die betekenis een verkleinwoord van pūpa ‘meisje, pop’, zie → pop 1. De betekenis ‘pupil’ ontstond vanwege de sterk verkleinde weerspiegeling van zichzelf die men ziet als men een ander diep in de ogen kijkt, zoals geïllustreerd door de uitdrukking kijk eens in de poppetjes van mijn ogen. Strikt genomen vormen de iris en de pupil samen de oogappel, maar dit onderscheid wordt buiten technische contexten niet altijd gemaakt.

pupil 2 zn. ‘minderjarige onder voogdij; leerling’
Vnnl. pupille ‘wees’ [1553; Van den Werve], pupil ‘minderjarige onder voogdij’ in Kinderen ofte Pupillen [1643; WNT]; nnl. pupil ‘leerling’ [1861; WNT].
Ontleend, wrsch. via Frans pupille [1334; Rey], aan Latijn pūpillus ‘onmondige knaap, weesjongen’, verkleinwoord van pūpus ‘jongetje’, analoog aan pūpilla ‘(wees)meisje’ bij pūpa ‘meisje’, zie → pupil 1. In de betekenis ‘onmondige knaap, wees’ kwam het woord pupil in de Europese talen terecht. De betekenis ‘leerling’ is in het Nederlands weinig gebruikelijk, in tegenstelling tot Engels pupil.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pupil1 [minderjarige] {1643} < me. frans pupille < latijn pupillus [onmondig kind, wees], pupilla [onmondig meisje], verkleiningsvorm van pupus [jongen, kind], respectievelijk van pupa [meisje, pop].

pupil2 [oogappel] {pupil(le) [oogappel] 1351} < frans pupille < latijn pupilla (vgl. pupil1); de betekenisovergang van ‘kind, pop’ naar ‘oogappel’ is verklaarbaar uit de weerspiegeling in de iris als men iem. van dichtbij in de ogen ziet, vgl.: de poppetjes van zijn ogen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pupil 1 znw. m. ‘onder voogdij staand kind, weeskind’, over fra. pupille of rechtstreeks < lat. pupillus ‘onmondige wees’, verkleinw. van pupulus ‘knaapje’, en dit weer verkleinw. van pūpus ‘knaap’, behorend tot de stam van puer.

pupil 2 znw. v. mnl. pupille v. ‘oogappel’ < fra. pupille of lat. pupilla, genoemd naar het kleine mensenbeeld, dat zich daarin weerspiegelt. Het is een vertaling door Celsus van gr. kórē ‘meisje’, dat Aristoteles reeds voor de pupil gebruikt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pupil znw., mnl. pupille v. “oogappel”. Uit lat. pûpilla of fr. pupille. In de bet. “onmondige” (nog niet bij Kil.) heeft het denzelfden oorsprong. Ook elders ontleend.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pupil (Latijn pupilla)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pupil ‘minderjarige onder voogdij’ -> Sranantongo pupil ‘jong lid van een sportvereniging’.

pupil ‘oogappel’ -> Indonesisch pupil ‘oogappel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pupil minderjarige onder voogdij 1643 [WNT] <Frans

pupil oogappel 1351 [MNW] <Frans

Hosted by Meertens Instituut