Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

punthoofd - (iemand met een puntige schedel)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Punthoofden en talenknobbels

Dat de vorm van onze schedel bepalend is voor ons karakter, was in de negentiende eeuw in wetenschappelijke kringen een modieuze opvatting. Het nauwkeurig opmeten van het hoofd stond aanvankelijk bekend als cranioscopie (van het Griekse kranion ‘schedel’ en skopein ‘bekijken’), later als frenologie (van het Griekse phrèn ‘geest, karakter’ en -logia ‘wetenschap, leer’). De frenologen meenden dat karaktertrekken op vaste plaatsen in de hersenen waren gelocaliseerd. Zo wordt in 1858 in De Gids over de moordlust gezegd: “Aan ’t achter-bovenste uiteinde van ’t schubachtig deel van ’t slaapbeen zetelt die noodlottige knobbel, die den beklagenswaardigen eigenaar tot galg of guillotine voert!”
Inmiddels weten we beter, maar de theorie van de hersenknobbels leeft voort in de samenstellingen talenknobbel en wiskundeknobbel. Een van de eerste keren dat deze specifieke knobbels voorkomen, is in 1921. Dat jaar schrijft iemand: “Mijn wiskunde-knobbel is sinds de schooljaren danig verschrompeld”, en in 1928 wordt over tabaksplanters in Indonesië gemeld: “De tabakkers, die jarenlang met Chineesch werkvolk omgaan, en niet geheel gespeend zijn van een talenknobbel, slagen er vrij aardig in, datgene in het Chineesch te zeggen of te verstaan, wat bij hun werk past.”

Punthoofd
Naast schedels met knobbels kunnen er ook andere soorten hoofden onderscheiden worden. Op 2 december 1947 stond in De Tijd een verslag van een Haagse gemeenteraadsvergadering, dat eindigt met de woorden: “Overigens leverde deze middag op het stuk van beeldspraak en nieuwe uitdrukkingen nogal het een en ander op: de heer Hylkema legde slakjes zout, mr. Visser introduceerde de kluitjes-riet-gedachte, de heer Hovens kreeg er een punthoofd van. (...) Toch wel een genoeglijke zitting.” De uitdrukkingen met een kluitje in het riet sturen en op alle slakken zout leggen waren al ouder, maar ergens een punthoofd van krijgen was op dat moment inderdaad betrekkelijk jong.
Waar komt de uitdrukking vandaan? In de letterlijke betekenis was punthoofd, namelijk puntig gevormd hoofd, een term uit de verloskunde: baby’s werden soms geboren met een vervormde schedel, veroorzaakt door langdurig persen tijdens de bevalling of door gebruik van medische hulpmiddelen als een tang, zuignap of pomp. In kranten worden vanaf ongeveer 1940 voorbeelden aangetroffen van overdrachtelijk gebruik: men ging van iets dat slechts met veel moeite – na een zware bevalling – was gelukt, figuurlijk zeggen dat men ‘er een punthoofd van had gekregen’. Zo staat in 1939 te lezen: “Er zijn compagniescommandanten, zoo wordt gefluisterd, die ‘gewoonweg een punthoofd’ hebben gekregen van het zoeken naar een geschikt verblijf voor hun jongens.”
Uit de aanhalingstekens is op te maken dat de zegswijze nog fonkelnieuw was. In de oorlogsjaren introduceerde taalvirtuoos Wim Meuldijk (de latere bedenker van Pipo de Clown) in de strip Sneeuwvlok de Eskimo een figuur met de sprekende naam Piet Punthoofd. Deze populaire krantenstrip zal zeker tot de verbreiding hebben bijgedragen.

Heethoofd
Al eerder leverden hoofd en hersenen inspiratie voor persoonstyperingen. De zeventiende-eeuwse dichter P.C. Hooft spreekt van “heetharssens ende oploopende geesten” – wij zeggen tegenwoordig ‘heethoofden’ in plaats van ‘heethersens’, maar het beeld is hetzelfde: iemand die driftig en opvliegend is. De Engelsen spreken van een ‘hotbrain’. De uitdrukking stamt uit de eeuwenoude temperamentenleer, waarin het menselijk gestel en karakter werden beschouwd als het gevolg van een precair evenwicht tussen warm en koud dan wel droog en vochtig.
De achttiende-eeuwse essayist Justus van Effen spreekt van “styfkoppen, die altyd gelyk willen hebben”. De voorganger van de ‘stijfkop’ was de ‘hardebol’, van oudsher overdrachtelijk gebruikt als benaming voor een eigenzinnig, strijdbaar persoon. Hardeboll kwam al in de veertiende eeuw voor als familienaam, die voortleeft in de Utrechtse straatnaam Hardebollenstraat. Door de raamprostitutie die hier tot 2013 was toegelaten, wordt de naam van de straat met een heel andere betekenis geassocieerd.
Vanaf halverwege de negentiende eeuw kennen we leeghoofd; in 1870 wordt iemand betiteld als “een politiek leeghoofd”. Eerder kende men al ijlhoofd. Warhoofd, warkop of wargeest (wederom van P.C. Hooft) zijn al zeventiende-eeuws.
Hersenonderzoeker Dick Swaab schreef de bestseller Wij zijn ons brein. Het is aan de opkomende neuropsychologie om te bepalen of er in de genoemde beeldende uitdrukkingen misschien toch een kern van waarheid schuilt.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2017), ‘Punthoofden en talenknobbels’, in: Onze Taal 1, 19]

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal