Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

punt - (stip; spits)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

punt zn. ‘stip, spits uiteinde’
Mnl. poent, poeint, point, punct, punt ‘punt, paragraaf, voorwaarde’ in de pointe die de graue geboet tehoudene ‘de punten die men volgens de graaf moest nakomen’ [1237; VMNW], pujnt ‘stip, punt’ [1240; Bern.], ‘bepaald tijdstip, moment’ in te pointe quam ‘op het juiste moment kwam’ [1265-70; VMNW], ‘bepaalde plaats’ in te sinen pointe ‘op zijn plaats’ [1265-70; VMNW], ‘onderdeel van een verhaal, een les enz.’ in tderde poent ... tfierde poent ‘punt drie, punt vier’ [1390-1410; MNW-R], ‘spits uiteinde’ in Enen spere ... Daer vlamme uten punte sceen ‘een speer uit de punt waarvan vlammen schenen te komen’ [1460-80; MNW-R]; nnl. punt ‘plaats’ in dat punt, daar hy gevoelig is [1786; WNT], ‘hoek, rand’ in een zyden kleed, aan de punten versierd met ... kwasten [1786; WNT], ‘eenheid van winst of van verlies, o.a. bij een spel’ in hij maakte 30 punten achter elkander [1898; WNT].
In de vorm point, poeint, poent ontleend aan Frans point, mogelijk meer dan eens in verschillende betekenissen. Frans point betekent ‘bepaald tijdstip’ [eind 12e eeuw; TLF], ‘bepaalde plaats’ [1176-81; TLF], ‘bepaald onderdeel, detail’ [1174; TLF], ‘stip, merkteken, punt op een dobbelsteen’ [1160-74; TLF] en ‘prik, steek’ [eind 11e eeuw; TLF], en is ontwikkeld uit Latijn pūnctus ‘steek, punt’ en pūnctum ‘steek; stip; onderdeel; tijdstip, plaats’, afleidingen van ‘steken, prikken, doorboren’, dat verwant is met pugnus ‘vuist (met vooruitgestoken knokkel van de middelvinger)’. In de vorm punct, punt rechtstreeks ontleend aan en/of aangepast aan Latijn punctus, punctum.
Latijn pungere ‘steken’ en pugnus ‘vuist’ zijn verwant met pūgiō ‘dolk’ en buiten het Latijn met: Grieks púx ‘met de vuist’, púgmē ‘vuist, vuistgevecht’; < pie. *peug-/peuǵ- ‘steken’ (LIV 480). Daarnaast staat een variant *peuḱ-, waaruit: os. fiuhtia ‘stekende boom, spar’, ohd. fiuhta ‘id.’ (nhd. Fichte); Grieks peúkē ‘id.’; Oudpruisisch peuse ‘pijnboom, grove den’, Litouws pušìs ‘id.’; Middeliers ochtach ‘spar; speer’ (< *puḱtākā).
Reeds in het Latijn betekende punctus, punctum zowel ‘spits uiteinde’ als bij overdracht de ‘steek, prik’ die daarmee toegebracht kon worden. Uit de betekenis ‘steek, prik’ kon de betekenis ‘zichtbaar resultaat van een prik of steek’ ontstaan, dus ‘punt, stip, markering’, en uit die laatste betekenis konden bij overdracht betekenissen ontstaan als ‘bepaalde plaats’, ‘bepaalde plek in een verhaal’, ‘bepaald detail van een geheel’ en ‘bepaalde tijd’. Al deze betekenissen bestonden al in het Latijn en in het Frans en zijn internationaal ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

punt1 [stip] {punte 1284} < latijn punctum [prik, steek, punt (in het wastafeltje geprikt)], verl. deelw. van pungere [prikken], verwant met grieks peukè [den], hoogduits Fichte [spar], zo genoemd vanwege de stekelige naalden. In het middelnl. bestonden ook point {1237} en pujnt {1201-1250} < frans point.

punt2 [spits] {1574} hetzelfde woord als punt1, maar met een andere betekenis o.i.v. frans pointe < middeleeuws latijn puncta, het zelfst. gebruikte verl. deelw. van pungere [steken, prikken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

punt znw. o. v., mnl. poent, point, poente, pointe m. o. v. < fra. point < lat. punctum, punctus. Nu heeft het mnl. ook punt, dat eerder ontstaan zal zijn uit een vorm *punkt vgl. mnd. punct, punt, mhd. punct, punt, puncte (nhd. punkt), oe. punct (on. punktr uit oe. of mnd.) < lat. punctus. — In de bet. ‘spits’ (mnd. punte ‘doel’) zal het woord ontleend zijn aan fra. pointe > lat. puncta.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

punt (het, de). Mnl. poent, point (poente, pointe) m. o. v. (nog dial.: Zuid-Oost-Antw. poont) “punt” (met ruime bet.-sfeer) komt van fr. point (< lat. punctum, punctus) “punt”, evenals eng. point. Ofschoon mnl. punt (nnl. punt) evenals pont uit poent, point ontstaan kan zijn, ligt ’t met ’t oog op mhd. punct, punt, puncte (nhd. punkt) m., mnd. pun(c)t(e) o. v., on. punktr m. “punt”, die uit het Lat. komen, voor de hand om ook voor ndl. punt naast de ontl. uit ’t Fr. ontl. uit ’t Lat. aan te nemen. In ieder geval hebben de Latijn kennende menschen het woord eeuwen lang als ontl. uit ’t Lat. gevoeld en dat heeft bij ’t algemeen worden van den vorm punt invloed gehad. Bij de punt “spits” (mnd. punte v. “doel”) moet men aan invloed van resp. ontl. uit fr. pointe (< lat. puncta) denken. De bet. “spits” komt bij punt blijkbaar eerst in de 16. eeuw voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

punt o. en v., Mnl. punt of poent en punte, gelijk Hgd. punkt en Fr. point m., pointe v., van Lat. punctum o., puncta v., zelfst. gebr. v.d. van pungere = steken, met nasaleering van denz. wortel als pikken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

poont, zn.: punt. De o verwijst naar ontlening aan Fr. point.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

poonte (D, DB), zn. v., scherpl. o: spijker. Fr. pointe ‘spits, nagel, priem’ < Lat. puncta, vrl. volt. dw. van ww. pungere ‘steken, prikken’ > Fr. poindre. Ww. poonten ‘puntig maken’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

punt (Latijn punctum)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

puntje Gebruikt in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Een puntje is een klein, spits toelopend glaasje. In Amsterdam wordt er een ‘halve borrel’ mee aangeduid, ‘een slokje dat je in je holle kies kunt stoppen’, zo schrijft een informant. Het wordt daar in de eerste plaats gebruikt voor ‘cognac’. In Rotterdam en Den Haag spreekt men niet alleen van puntje, maar ook van puntje gekkigheid. Meestal wordt met gekkigheid jonge jenever bedoeld, maar er kan ook andere gedestilleerde drank mee worden aangeduid.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Punt, van ’t Fr. point, uit ’t Lat. punctum, van pungere = steken, prikken. Punt is dus: het prikkende uiteinde (de punt van een naald), ook de prik zelf: het leesteeken, en hiervan: een kleine plaats of ruimte, bijv.: een mooi punt op de wandeling; op het punt van te vertrekken. Uit de bet. van plaats ontstond ook die van „onderwerp”, bijv. een punt van behandeling (op de „agenda” neemt dit onderwerp een plaats in), een punt van bespreking.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

punt ‘stip; spits; landpunt’ -> Deens pynt ‘landpunt, versiering’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pynt ‘landpunt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pynt ‘spits van een anker’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch punt! pén! ‘tussenwerpsel: punt uit!’; Japans pinto ‘brandpunt’; Koreaans p'int'ŭ ‘brandpunt’ ; Papiaments Punda ‘naam van oostelijk deel van het oude deel van Willemstad, Curaçao’; Sranantongo pontu, penti ‘stip’.

punt ‘cijfer’ -> Makassaars peng ‘puntental, cijfers op schoolrapport, nummers van winnende paarden bij races’; Muna peni ‘(doel)punt, scorepunt’; Sranantongo pùnt ‘cijfer op school; academische graad’.

punten ‘cijfers’ -> Indonesisch pontén, puntén ‘wedstrijdpunten; graad, rang, trap, stap, uitdrukking van waardering’; Jakartaans-Maleis ponten ‘censuur, censureren (op scholen)’; Minangkabaus ponten ‘punten, cijfers (op school)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

punt stip 1284 [CG I2, 805] <Latijn

punt spits 1534 [Dilucidissimus dictionarius]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1899. De punten (of puntjes) op de i (of i's) zetten,

d.w.z. zeer nauwkeurig te werk gaan; waken tegen misverstand en dubbelzinnigheid (Harreb. I, 348; Ndl. Wdb. VI, 1357); ook in het fr. mettre les points sur les i; eng. he crosses all his t's and dots all his i's, hij is zeer nauwkeurig.

1898. Een punt (of een puntje) aan iets kunnen zuigen.

Eene in Noord- en Zuid-Nederland bekende uitdrukking: ergens een voorbeeld aan kunnen nemen; iets niet kunnen verbeteren; met iets niet in vergelijking kunnen komen. Harrebomée II, 204 citeert: Hij zuigt (of slijpt) er een punt aan; Weiland verklaart ‘eene punt aan iets zuigen’ als ‘zich gereed maken tot tegenspraak, of tegenstand’, en vat ‘punt’ op in den zin van degen; Gron. hij ken d'r puntjes an zoegen (Molema, 339 a); in het fri. der kinst in puntsje oan sûgje. In Zuid-Nederland: Daar kunt gij nen punt aan zuigen, daar kunt gij mede bezig zijn, op nadenken en er het uwe uit trekken (Schuerm. Bijv. 253 a); zie ook Joos, 75: Lekt dat kalfken zijn muilken af, zuigt daar 'nen punt aan; Antw. Idiot. 1007; Waasch Idiot. 521: Aan iets een pinne of 'nen punt kunnen zuigen, iets kunnen doen, iets verstaan; 540: Zuigt daar 'nen punt of een pin aan. Zie verder Schoolm. 19:

 Ja het ging zoo gaauw, hoorde ik mijn kleinzoon dikwijls getuigen,
 Dat een stoomboot op stapel er gerust een punt aan had kunnen zuigen.

Handelsblad, 21 Mei 1914, p. 1 k. 5 (ochtendbl.): De heer Vliegen begon met het aftakelen der redevoeringen van de heeren Marchant en Bos (waaraan hij echter de klassieke ‘punt’ kon zuigen); Prikk. II, 57; Kmz. 81; Jord. 197; Nkr. II, 8 Maart, p. 2; Zondagsbl. v. Het Volk, 1906, p. 114: Men bedenke evenwel, dat er verscheiden redevoeringen waren, waar geen punt aan was, andere waar maar een punt aan gedraaid was. Aan geen enkele viel een punt te zuigen; Nkr. V, 13 Mei, p. 6; 9 Sept. p. 2; VII, 9 Aug., p. 5; VIII, 7 Nov., p. 2. Hiernaast een punt draaien (of zuigen) aan iets, er een mouw aan passen, een kop klinken aan iets, er raad op weten, er maar iets van maken; vgl. Het Volk, 5 Juni 1914, p. 1 k. 4: Men zou met zulk een verklaring dus genoegen kunnen nemen. De heiligheid is daarmee toch van de zoogenaamde christelijke politiek af. Maar neen, de ‘Standaard’ draait er toch weer een punt aan; Nw. School, IV, 212: ‘Op een stroowisch komen aandrijven’, heeft K. ook opgenomen en als aan alles weet hij ook daaraan een punt te zuigen, maar ook als elders slaat hij den bal mis; VII, 179: De heer B. heeft op zich genomen de brochurenreeks ‘Schoolhervorming’ te openen. En dat was nou weer net iets voor hem, hè. Hij zou d'r wel eventjes een punt aan kletsen, dacht-ie; en hij hééft er een punt aan gekletst; VIII, 259: ‘Je hebt d'r 'n aardige punt aan gekletst’, zei de eenBij een proefles over ‘de visscherij in ons land’.. ‘Zeker zelf nooit gehengeld hè, vroeg de ander; Nkr. VI, 8 Juni p. 4: Om 't kiesrecht was de zaak begonnen, want Theo had zich goed bezonnen: Dàt stel meneeren, lieve man, dat draaide er wel een puntje an. Vgl. ook Lvl. 12: Wat hei-je nou eigenlik willen beweren? Verdomd as 'k 'r 'n woord van kan navertellen, je lult er godoome 'n punt aan; D.H.L. 39: Geeg effe jouw jas, dan ziet-i me tenminste als korporaal, anders begint-i te ouwehoeren en dan is-i vanavond nog niet klaar; je weet m'n vader is dominee en die lullen d'r altijd 'n punt an; Scharten, 't Geluk hangt als een Druiventros, bl. 101: Toen Angelo met een zoetsappig langs-zijn-neus-weg gezegd zinnetje.... slechts een ontwijkend grijnsje kon ontlokken, wist hij, om een directe weigering te voorkomen, dadelijk een pointe aan zijn verhaal te zuigen. Een punt aan iets draaien of zuigen (onder invloed van iets uit zijn duim zuigen) beteekent dus eig. een pointe er bij verzinnen of er uithalen; in algemeenen zin: iets klaar spelen; onze uitdr. je kunt er een punt aan zuigen wil dan zeggen: probeer er een punt aan te zuigen (maar het lukt je toch niet); ge kunt trachten dat ook klaar te spelen, doch daartoe zijt ge niet in staat.

1900. In de puntjes zijn,

soms op zijn puntjes zijn ('t Daghet X, 178), d.w.z. tot in het geringste, de puntjes, in orde zijn; volmaakt, stipt in orde zijn, zoodat er niets aan ontbreekt, wat in het mnl. te poente of poentelijc, in de 16de eeuw en later puntig, dial. puntelijk genoemd wordt, waarmede te vergelijken is het hd. pünktlich, fr. ponctuellement en het Zaansche 't is een lust met een puntje (nl. om er naar te zien), het is keurig in orde (Boekenoogen, 599 a).

1901. Op het punt staan (of zijn),

gereed staan of zijn om iets te doen, teweeg zijn (Waasch Idiot. 649 a), 17de eeuw op den kant staan; dial. op 't kantje staanNdl. Wdb. VII, 1311.; zndl. te of op scheute staanNdl. Wdb. XIV, 542.. Vgl. De Brune, Bank. II, 73: Augustus, op het punt en stond zijnde, van een veldslagh te leveren; Winschooten, 197: hij stond op het punt van trouwen; Halma, 521: Op het punt, gereed, être sur le point de , prêt. Bij Hooft, Ned. Hist. 384: in punte staan. Het znw. punt heeft hier de bet. van tijdstip, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen: zeer dicht zijn nabij het tijdstip om. Het is evenwel ook mogelijk, dat punt hier toestand beteekent (vgl. het mnl. poent, toestand). Ook hier en daar in Zuid-Nederland bekend; Afrik. op die punt staan om; fri. op it punt fen to boarsten; in het hd. auf dem Punkte stehen etwas zu tun; eng. to be at (or on) the point of; fr. être sur le point.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal