Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pul - (kannetje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pul zn. ‘kannetje, bierkan, glas met oor’
Mnl. pulle ‘kan van metaal of aardewerk, gebruikt in de mis’ in Die tynnegieter van 24 pullen te maken ‘de tingieter voor het maken van 24 kannen’ [1420-1500; MNW], vat off pulle [1477; Teuth.]; vnnl. pulle, pul ‘kannetje’ in van den wijn in die pullen [1534; MNW], ‘bierkan met oor en deksel’ in ick ... volle u pul ‘ik vul uw bierkan’ [1594; WNT], ‘kruik, vaas’ in pullen ... om die bloemen in te setten [1596; WNT]; nnl. pul ‘bierkannetje’ in een Pulle bier [1763; WNT], ‘siervaas, kan’ in het eikenhouten kabinet, waarop twee pullen en een pot [1840; WNT], ook in de samenstelling bierpul ‘bierkannetje, bierglas met oor’ in beker ... ongeveer zo groot als een bierpul [1889; Groene Amsterdammer].
Verkorting, door weglating van de onbeklemtoonde eerste lettergreep, van mnl. ampulle, apulle ‘glas’, zie → ampul.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pul1 [kannetje] {pul(le) [pul, kruik, fles] 1469} verkorting van ampul.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pul znw. v., later-mnl. pulle, Teuth. pulle, mnd. pulle (vgl. pull-kroch) ‘pul, kan’ is een verkorting uit mnl. ampulle, appulle, mnd. appulle > lat. ampulla. Daaruit ook oe. ampulle (> on. ampulla v. ampulli, ampulir m.), ohd. ampulla. Met accentverspringing mnl. ampel, ohd. ampla (nhd. ampel), oe. ampelle (> on. ampli). — Voor de wegval van de 1ste lettergreep in pul vergelijk woorden als buis 3, muts en pantoffel. — Zie ook: ampul.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pul znw., later-mnl. pulle v. = Teuth. pulle, mnd. *pulle (in pull-krôch) “pul, kan”. Verkort uit mnl. ampulle, appulle, mnd. appulle v. “id.” < lat. ampulla. Voor dgl. verkortingen zie bij ajuin, buis III, muts, pantoffel. Dial. ndl. komt ook de oudere ontl. ampel voor = ohd. ampla (nhd. ampel) v., on. ampli m., ags. ampelle v., naast ohd. ampulla, ags. ampulle v., on. ampûll, -ullr, -ulli m., -ulla v. “kan”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pul. Adde: ofri. ampel v. ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pul v., Mnl. apulle, uit Lat. ampullam (-a), dimin. van amp(h)ora, van Gr. amphoreús.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

pul(le) 1 zn. v.: drinkkruik, blikken veldfles. Mnl. pulle ‘kruik’, Vnnl. pulle, ampulle ‘kannetje’ (Kiliaan), eene pulle van derthien potten genever, Gent (LC). Verkort uit ampulle < Lat. ampulla ‘flesje’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

pul(le) (B, G, R, ZV), pille (G), polle (L), zn. v.: blikken veldfles, blikken kruikje. Mnl. pulle 'kruik', Vnnl. pulle, ampulle 'kannetje' (Kiliaan), eene pulle van derthien potten genever, Gent (LC). Verkort uit ampulle < Lat. ampulla 'flesje'. LC noemt de ontronde vorm pille plat; die vorm komt ook voor in het Kortrijkse (plattere) Overleis. Samenst. pulleblazer, pullenbroer (G) 'drinkebroer'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

pulle vaas, melkbus (Drente). = laatmnl. pulle ‘bep. vaatwerk’ « lat. ampulla ‘flesje’ « gr. amphoreus ‘kruik met twee handvaten’, doch met verkleiningssuffix.
OezeVolk V 119.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

pulle, pille (K: Overleie), prulle (D), zn. v.: blikken veldfles, blikken kruikje. Mnl. pulle ‘kruik’, Vroegnnl. pulle, ampulle ‘simpulum’ (Kiliaan). Verkort < ampulle < Lat. ampulla ‘flesje’. De var. prulle heeft r-epenthesis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pul ‘kannetje’ -> Duits Pulle ‘fles’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † polquin, paukin, porquin ‘maat voor graan, ongeveer 130 liter’; Berbice-Nederlands polo ‘kannetje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pul kannetje 1469 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal