Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

puist - (pukkel, zwelling op de huid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

puist zn. ‘pukkel, zwelling op de huid’
Mnl. puust ‘pukkel’ in pusten ende roven ‘puisten en korsten’ [1285; VMNW], vule puusten in den mont ende an tantvleesch [1351; MNW-P], puysten [1480-1500; MNW-P].
Mnd. pūst ‘puist’; nfri. pûst ‘puist’.
Herkomst onduidelijk. Mogelijk een onklankwettige afleiding van de wortel pie. *bheu- ‘zwellen’ (IEW 98-102). De nauwst verwante woorden zijn dan vnnl. poesten ‘blazen’ [1599; Kil.] en nnd. pusten ‘id.’ [1768; Kluge21] (waaruit door ontlening nhd. pusten), en nde. puste ‘id.’. Verder: on. púss ‘zak, buidel’; en met andere ablaut nzw. pösa ‘opzwellen’ < pgm. *pausijan- en nzw. påse ‘zak’ < pgm. *pusan-. Zie ook → pok.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

puist* [pukkel] {pu(u)st, puyst 1285} waarschijnlijk verwant met poesten [blazen], dus eigenlijk ‘iets diks, gezwollens’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

puist znw. v., mnl. puust, mnd. pūst m. eig. ‘wat opgezwollen is’, van de onder pok behandelde wt. idg. *b(h)eu. Wij vinden dan ook andere betekenissen, zoals mnd. pū̌st m. ‘peluw, kussen’ en on. pūstr ‘oorvijg’. — Zie ook: poesten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

puist znw., mnl. puust m. = mnd. pûst m. “puist”. Evenals mnd. pust (û?) m. “peluw, kussen” van de bij poezel besproken basis pū̌s- “zwellen”. Vgl. oi. busta- (bij lexicografen) “korst van vleesch, vruchtschil” voor *buṣṭa-? On. pûstr m. beteekent “oorvijg”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

buil I (bult). On. bôla v. ‘buil, bult, gezwel’ wordt beter uit *buhlôn- verklaard en sluit zich dan het naast aan bij ohd. buhil m. ‘bult, bochel, heuvel’ (zie bochel). Met de ablautsphase van got. uf-bauljan: ijsl. beyla ‘bochel’.
Het naast elkaar voorkomen van synonieme idg. wortels met bh- > germ. ƀ- (buil I, buidel) en b- > germ. p- (poezel, puilen, puit, puist) wijst erop, dat de woordfamilie vanouds onomatopoëtisch is. Daarom is het niet altijd mogelijk de beide germ. woordgroepen streng uiteen te houden. In ieder geval moet men rekenen met onderlinge associaties en nieuwe vormingen, die zich aan het regelmatig klankverloop onttrekken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

puist v., Mnl. puust, naar Lat. pustula = blaartje + Gr. phusalís. Voor sommigen echter bij poesten en poezel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

puis: (gew. dim.) puisie, klein geswel m. etterpuntjie; Ndl. puist (Mnl. puust), Mned. pūst, “iets wat opgeswel is”, v. puil.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

puist. De verwensing krijg de puisten op je bek zo groot als tomaten!, die alleen werd opgetekend door een zegsman uit Terneuzen, drukt minachting en haat uit. De betekenis is gelijk aan ‘rot op’. In Den Haag kennen ze als variant krijg een achterlijke puist! Het moge duidelijk zijn dat achterlijk de verwensing nog meer spanning wil geven. Vgl. Bral e.a. (1998). → uitknijpen.

puis, puister(t). Vroeger was het gewoonte te zweren bij allerlei lichaamskwalen en ziektes. Men riep deze over zich af als men de waarheid niet sprak. S. van Rusting gebruikt in zijn werken de bastaardvloeken wat puister; wat puistert; o puis. Nemen wij aan dat het om een ziekte gaat, dan is ‘etterbuil’ ons uitgangspunt. De oorsprong van dat woord is onbekend. Misschien is er verband met puis, dat dienstdoet als een uiting van schrik of verontwaardiging en dan dezelfde functie heeft als o jee!; wel, heremijntijd! Overigens fungeert puis ook in uitingen van enthousiasme of is het vergoelijkend en sussend. → pot.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

puist ‘pukkel’ -> Engels † pust ‘pukkel’; Papiaments pèshi, peishi (ouder: pijsji) ‘pukkel, uitslag, zweer’; Sranantongo poisi ‘pukkel’; Sarnami poisi ‘pukkel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

puist* pukkel 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal