Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

puin - (vergruisde steen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

puin zn. ‘bouwafval, vergruisd steen’
Mnl. poyn, pouyn, pueyn enz. ‘bouwafval, vergruisd steen’ in pueyn geladen opten wagen [1443; MNW], Dat nyemant geen pouyn opten hoff en brenge ‘dat niemand puin op de binnenplaats mag brengen’ [midden 15e eeuw; MNW], sticken van tegelen, poeyn noch koemesse ‘tegelresten, bouwafval noch koemest’ [1461; MNW], ende dat poyn uutgeworpen ‘en het puin verwijderd’ [1466; MNW]; vnnl. puyn in puyngelt ‘kosten voor het storten van puin’ [1583; MNW]. Daarnaast staan enkele nevenvormen, o.a.: pui, poye [1510; MNW], poeym [1500; MNW].
Herkomst onbekend. De sterk variabele Middelnederlandse spelling (maar geen puun) duidt erop dat de ui in dit woord een oorspronkelijke tweeklank is als in → buitelen. Verwantschap met oe. pūnian ‘stampen’ is dan ook af te wijzen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

puin1 [vergruisde steen] {pueyn 1443} etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

puin znw. o. eerst na Kiliaen bekend, een specifiek nnl. woord, vooral in gebruik in Noord-Holland bezuiden het IJ, Utrecht, N-W. Gelderl. en Overijsel en daarom wel als jonge formatie te beschouwen. Verband met oe. pūnian ‘stampen’ (ne. pound) is daarom niet waarschijnlijk. De herkomst van het woord is onbekend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

puin (het, de), nog niet bij Kil., toch wsch. een oud woord blijkens ags. pûnian “stampen” (eng. to pound). Oorsprong onzeker. Vgl. serv. bùnina “mest”, bùn(j)îšte “mesthoop”?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

puin o., + Ndd. en Oostfri. pün, Ags. punian (Eng. to pound = verbrijzelen): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

puin s.nw.
1. Rommel ontstaan deur die afbreek van 'n gebou. 2. Puin (puin 1) van vergane bouwerke, ruïne.
Uit Ndl. puin (Mnl. pueyn). Oorspr. 'n gewestelike woord, ten suide van die Y, wat meer alg. geword het toe puin ter versterking van dykwalle gebruik is.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

puin: klippe, sand, stene en allerlei voorwerpe deureen (gew. by omgevalle mure of ingestorte geboue, ens.); Nnl. puin, meer bep. NHoll. besuide die Y, herk. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

puin ‘vergruisde steen’ -> Duits dialect Püün, Puin ‘bouwpuin, vergruisde steen’; Indonesisch puing ‘vergruisde steen, ruïne’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

puin vergruisde steen 1443 [MNW] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut