Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

puilen - (zwellen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

puilen* [zwellen] {pulen, puylen 1351} vgl. puyl [buidel] en puyle [buil] {1599} variant van buil1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

puilen ww., mnl. pûlen, puylen, pullen ‘uitpuilen’. Te vergelijken zijn Kiliaen puyl (Fris.) ‘buidel’ en puyle ‘buil’ evenals mnd. pūle v., ‘peul, huls’. Het woord behoort dus tot de groep van pol en peul 1. — oi. buri-, buli- ‘bil, vulva’, lit. bulìs ‘bil’ (IEW 99). — Wat de anlaut betreft staan naast elkaar puilen en buil (IEW gaan dan ook uit van een wt. *beu, *bheu ‘opblazen, opzwellen’). Daartoe behoren verder ook pok, poezel en puit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

puilen ww., mnl. pûlen. Hierbij mnd. pûle v. “peul, huls”, Kil. puyl “buidel” (“Fris.”), puyle “buil”. Met ablaut peul I, pol, misschien ook polder. Verwant zijn misschien lat. bulla “blaas, knop”, gr. boubulís “waterbel”, oi. buli- “vrouwelijk schaamdeel, aars”, terwgl de bij buil I genoemde kelt. slav. balt. vormen eventueel ook idg. b zouden kunnen hebben en met puilen enz. verwant zijn; met gr. boubulís vgl. lit. bur͂bulas “id.”. De hier geciteerde niet-germ. vormen, desnoods ook pol, peul zouden ook van idg. bel- “zwellen” kunnen komen evenals lat. bulbus, gr. bolbós “ui”, eventueel ook oi. bálbaja- “eleusine indica”. Vgl. ook pok, poezel, puit.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

puilen. Kil. puyl ‘buidel’ heeft blijkens huidige dial. vormen (o.a. Gron.) ui2 (vgl. spuiten Suppl.) en is misschien niet verwant: W.de Vries Tschr. 38, 290. Is het misschien een vorm met ospr. intervoc. d als kuieren? Dan zou het bij de groep van podding kunnen behoren (W.de Vries Meded. Akad. Afd. Lettk. Dl. 65 Serie A no. 3, bldz. 18).
Zie nog buil I Suppl. 2e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

puilen ono.w., Mnl. pulen; hierbij met ablaut Ndd., Eng. poll = hoofd, Zw. pull, De. puld = top + Skr. buliṣ = kont, Gr. bombulís = waterbel, Lat. bulla = blaas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3peul ww.
1. Vorentoe uitsteek. 2. In oorvloed verskyn.
In bet. 1 uit Ndl. puilen (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel, wsk. uit die Ndl. bet. '(as iets ronds) te voorskyn kom' (WNT). Volgens Le Roux (1910: par. 18) was die afwisseling van eu met ui (vroeër) 'vrij algemeen' (vgl. ook Le Roux - Pienaar s.j.: par. 282). Die ui is as 'plat' beskou. Hoewel Kloeke (1950: 202) op soortgelyke afwisseling in Ndl. wys, hou hy die verskynsel 'voor een autochthoon-Afrikaanse aangelegenheid'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

puil: – peul – , na buite uitstaan/-steek/-swel (bv. oë), gew. in ss. uitpuil; Ndl. puilen, gew. in ss. uitpuilen, “swel, bol staan” (by Kil puylen, soos Mnl. wat daarnaas nog pūlen/pullen, “uitpuil”, ken) hou wsk. verb. m. buidel, “sakkie”, en m. buil, “swelling”, wat albei op ouer bet. “swel” dui.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

puilen* zwellen 1351 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut