Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

puffen - (blazen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

puffen* [blazen] {1481} oudengels pyffan, vgl. italiaans buffare [blazen]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

puffen ww. ‘blazen’, nnd. puffen, oe. pyffan (ne. puff), nnoorw. puffa, — Zie: pof 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] pof. Puffen = ags. pyffan “blazen” (eng. to puff < *puffian).

pof znw., sedert Kil. In de bet. “plof, zware slag” = pof tusschenw. In de bet. “opgeblazen, opgezwollen voorwerp”, o.a. “pof aan een mouw” van de onomatop. basis puf- “opblazen, zwellen”, waarvan o.a. nog mnd. puffe, fri. pof(ke) (in de 16. eeuw puffe, Leeuwarden) “een soort broodje, bol”, nnl. poffer (in de tegenw. bet. nog niet bij Kil., maar wel = “pocher, praalhans”), puffen, laat-mnl. puffen wellicht = “oprispen”. Hierbij ook Antw. poef “moed, lust, fut”, ndl. (geen) puf (in iets hebben), en ook de allitereerende vorm patapoef, Antw. naar pad II ook paddepoef. Van de basis puf-, waarnaast buf-, komen allerlei woorden in germ. en rom. talen; vgl. nog bof en poef. Met ndl. op den pof, bof (koopen) vgl. hd. auf puff, fr. à pouf. — poffen ww. Sedert Kil.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

puffen ono.w., + Hgd. puffen, Eng. to puff, Zw. puffa, De. puffe: onomat., verwant met Gaël. pwff en Fr. pouffer: z. pof 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

puffen (pufte, heeft geput), 1. een wind laten. Klaagde honderdmaal over d’r slechte gestel, slechte stoelgang, slechte geheugen, slechte dit, slechte dat, terwijl ze af en toe hardop pufte (Cairo 1976: 101. - 2. brommend geluid maken (gezegd van een puf*, 2). - Etym.: (1) Zie puf* (1). Volgens WNT (1949) ook in Z.-Ned. (2) Het geluid onder 2 wordt veroorzaakt doordat het papier trilt en daarbij tegen het touw slaat. AN p. = o.m. puffende geluiden maken met de mond, bijv. van de warmte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

puffen ‘blazen’ -> Sranantongo pùf ‘(een) wind, een wind laten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

puffen* blazen 1481 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut