Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

publiek - (openbaar, openlijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

publiek 1 bn. ‘openbaar, openlijk’
Mnl. publike ‘openlijk, openbaar’ in dus blijct de wareyt wel publike ‘zo blijkt de waarheid overduidelijk’ [1479-83; MNW-R]; vnnl. publique, publik, publyck ‘openbaar, niet privaat, voor ieder toegankelijk’ in een publycke schole ende universiteyt ... binnen der stadt Leyden [1575; WNT], ‘openbaar, officieel, niet particulier’ in de publijcke authoriteyt [1612; WNT], publijcque Acten [1627; WNT], ‘openbaar, voor ieder zichtbaar of hoorbaar’ in publicq te spreken [1649; iWNT].
Ontleend, al dan niet via Frans public, publique ‘voor iedereen’ [1360; TLF], ‘algemeen bekend, openbaar’ [1330; TLF] en ‘betreffende het gehele volk’ [1238; TLF], aan Latijn pūblicus ‘algemeen, van het volk, van de staat’; dat woord is een verandering, door invloed van pūbēs ‘volwassen’, zie → puber, van ouder Latijn poplicus ‘betreffende het volk’, een afleiding van populus ‘volk’, zie → populair. Zie ook → republiek.
Iets eerder geattesteerd is reeds het ww. publiceren ‘openbaarmaken, bekend maken’, in als men die correctie ... uut roepen soude ende publiceren [1460-80; MNW-R].

publiek 2 zn. ‘aanwezige mensen, gehoor’
Vnnl. het gantsche publijcq ‘de gezamenlijke burgers’ [1646; WNT]; nnl. publiek ‘mensen tot wie men zich richt’ in De Schryver zoekt ... de goedkeuring van het Publyk [1765; iWNT], ‘toehoorders’ in publiek ... in de tribunes van de Tweede Kamer [1867; iWNT], ‘de mensen in het algemeen, iedereen’ in toegankelijk voor het publiek [1891; iWNT].
Ontleend aan of gevormd in navolging van Frans public ‘aanwezigen, gehoor’ [1751; TLF], eerder al publique ‘de mensen’ [1391; TLF], en public ‘voor een aantal personen’, zelfstandig gebruik van het bn. public, zie → publiek 1. Ook in het Latijn werd de onzijdige vorm publicum van het bn. publicus al zelfstandig gebruikt, in betekenissen als ‘openbaarheid’ en ‘staatseigendom’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

publiek [openbaar] {1548} < frans public [idem] < latijn publicus [van het volk, algemeen, openbaar]; een vermenging van oudlatijn poplicus [behorend aan het volk], van populus [volk], met een afleiding van pubes (vgl. pubis), met de betekenis ‘volwassenen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

publiek znw. o. en bnw., bij Kiliaen alleen bnw. bijw. < fra. public < lat. publicus ‘openbaar’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

publiek znw. o., bnw. Alleen als bnw. en bijw. reeds bij Kil. < fr. public > lat. publicus. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

publiek b.nw.
1. Presies. 2. Algemeen, nie privaat nie. 3. Uitgaande van of behorende aan die owerheid. 4. Openbaar, nie geheim nie.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. publiek (1565 in bet. 1, 1575 in bet. 2, 1585 in bet. 3). In bet. 4 uit verouderde Ndl. publiek (1592).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

publiek: openbaar (s.nw., b.nw. en bw.); so ook Ndl. publiek (by Kil alleen b.nw. en bw.), soos Hd. publik en Eng. public, via Fr. public uit Lat. publicus, “openbaar” – Afr. gebr. in bet. “beslis, duidelik, presies of”, soos by Trig (1Ro T DLT 258), sluit aan by blb. veroud. gebr. in Ndl. (vgl. WNT XII 4702).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

publiek ‘openbaar’ -> Fries publyk ‘openbaar’; Indonesisch publik ‘openbaar’; Papiaments poebliek ‘openbaar’; Sranantongo publiki ‘openbaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

publiek openbaar 1548 [WNT publiek I] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal