Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pruim - (vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pruim zn. ‘vrucht’ (Prunus domestica)
Mnl. prume ‘pruim’ eerst in prumelere ‘pruimenboom’ [1240; Bern.], dan prumen. krieken ende peren [1351; MNW-P]; vnnl. pruyme ‘pruim’ [1567; iWNT], gestoofde pruimen [1657; WNT]; nnl. pruim ook ‘pruimenboom’ in daar staat een pruim [1708-10; WNT], ook ‘iets wat de vorm of grootte van de vrucht heeft’, zoals ‘vrouwelijk geslachtsdeel’ in mijn pruim [1709; WNT], ‘pluk tabak om op te kauwen’ in een pruim achter zijn kiezen stak [ca. 1859; WNT].
Wrsch. een zeer vroege Germaanse ontlening aan Grieks proũmnon ‘pruim’ (later proũnon), proũmnē ‘pruimenboom’, dat ontleend is aan een taal in Klein-Azië. Het woord zou ontleend zijn in het kader van vroeg handelsverkeer via de Donau naar het Rijngebied; andere routes resulteerden bijv. in Engels prune ‘gedroogde pruim’, ontleend via Frans prune < vulgair Latijn pruna < Latijn prūnum aan de latere Griekse vorm proỹnon. Volgens anderen (o.a. BDE) zijn de oude Germaanse vormen eveneens ontleend via vulgair Latijn pruna en de -n- > -m- zou dan gedeeltelijke assimilatie aan de p- zijn.
Ook ontleend zijn: mnd. prume; ohd. pfrūma. Daarnaast varianten met -l-: ohd. pflūma (nhd. Pflaume); oe. plūme (ne. plum); on. plóma (nzw. plommon; nde. blomme).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

proem [vrucht van de els] {1872} nevenvorm van pruim, in de betekenis ‘tabakspruim’ (één van de dingen die in vorm of grootte direct of vagelijk aan de vrucht doen denken en daarnaar zijn genoemd). De verklaring ligt in het feit, dat vroeger jongens die nog geen tabak hadden elzenproppen pruimden.

pruim [vrucht] {pru(y)me, pruum 1377-1378, vgl. prumelere [pruimenboom] 1201-1250} vermoedelijk rechtstreeks < grieks proumnon, waarnaast frans prune < latijn prunum, dat waarschijnlijk uit dezelfde voor-gr. bron stamt als proumnon.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pruim znw. v., mnl. prûme v., mnd. prūme, ohd. pfrūma is in de Romeinse tijd uit een vorm *prūma naast lat. prūna overgenomen, die aangetroffen wordt in een randgebied van Z.O. Frankrijk en Zwitserland en in de Noorditalische Alpenrand; men verklaart deze vorm gewoonlijk als assimilatie aan de p, maar de mogelijkheid bestaat ook, dat hier de vorm van gr. proũmnon nawerkt, wat er op zou wijzen, dat vrucht en naam langs de Donau uit het Oosten zou zijn gekomen. De lat. vorm bleef bewaard in fra. en ne. prune. Een overgang r > l toont mnd. plūme, ohd. pflūmo ‘pruimenboom’, oe. plūme ‘pruim’ (on. plōma uit oe. of mnd.).

De vorm met pr-anlaut komt behalve in de Nederlanden, ook in het westelijk deel van Westfalen en in het Rijnland voor (vgl. daarvoor kaart 2 bij W. Foerste, Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pruim znw., mnl. prûme v. = ohd. pfrûma, mnd. prûme v. “pruim”. Uit lat. prûnum “pruim” of liever uit een v. rom. bijvorm hiervan vroeg overgenomen (vgl. vijg, perzik, enten). Hieruit ook fr. eng. prune “id.”. De m uit n is door partiëele assimilatie aan den anlaut ontstaan (vgl. bij plamuur). Hiernaast met secundaire, ook op rom. gebied voorkomende l mhd. pflûme (nhd. pflaume), mnd. ags. plûme (eng. plum), on. plôma v. “pruim”. De l is opgekomen onder invloed van de p en û, zonder dat een dissimilatorische factor zooals bij pelgrim, martelaar, hd. maulbeere (zie moerbei) werkte. — De bet. “pruim tabak” en ’t ww. pruimen, beide eerst nnl., komen ook ndd. en fri. voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pruim. De hier gegeven verklaring van de m is mogelijk; intussen verdient ook overweging het door Frings Germ. Rom. 68 geuite vermoeden (vóór hem al door Joh. Schmidt Krit. d. Sonantentheorie 111 uitgesproken), dat gr. prou͂mnon (> lat. prûnum) rechtstreeks zou zijn ontleend; vrucht en naam zouden dan langs twee verschillende wegen naar West-Europa zijn gekomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pruim v., gelijk Hgd. pflaume, Eng. plum, Fr. prune, uit Lat. prunum, van Gr. proûmnon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

proum (zn.) pruim; Vreugmiddelnederlands prume <1240> < Grieks proumnon.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

proem, zn.: pruim; vulva, vrouwelijk geslachtsdeel; flinke hoeveelheid. Limburgse heterofoon met onverschoven oe voor Ndl. pruim.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

proem, zn.: knikker. Vermoedelijk een oude onverschoven vorm van pruim < Lat. pruna. Naar de ronde vorm of veeleer omdat met pitten van steenvruchten geknikkerd werd.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1pruim s.nw.
1. Tipe somervrug. 2. Boom wat die vrug dra.
Uit Ndl. pruim (al Mnl.).

2pruim s.nw.
Stukkie tabak.
Uit Ndl. pruim, so genoem as gevolg van die ooreenkoms met 'n pruim (1pruim 1) wat sowel die vorm as die grootte, asook die kouhandeling betref. Die s.nw. is eers in die vroeë 19de eeu opgeteken, maar moes blykens die afgeleide ww. (sien 3pruim) wat in die laaste kwart van die 18de eeu opgeteken is, vroeër bekend gewees het. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1889).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pruim (de, -en), 1. wilde, soms gekweekte struik of kleine boom met kleine, behaarde bloempjes en min of meer eivormige, wit tot geelachtige vruchten (Chrysobalanus icaco, Krerekrerefamilie*). In zwak brak milieu wordt de hoge kruidenvegetatie opgevolgd door laag, open zwampbos* met vooral watrabebe*, zwamppanta *, mierenhout*, zwampzuurzak* en pruim (Enc.Sur. 627). - 2. de eetbare vrucht van deze plant. Hun liefde voor mij? Waarschijnlijk even groot als / hun voorkeur voor de fles pruimen op Mariënburgrum/ () (Vianen 1974: 20). - Etym.: De vrucht lijkt op een AN p., d.i. in Ned. de vrucht van Prunus domestica (Roosfamilie*). - Opm.: In oudere literatuur wordt de naam naar het lijkt vrij willekeurig ook aan enige andere soorten gegeven. Zie ook: varkenspruim*, Indiaanse of wilde pruim(eboom)*.
— : Indiaanse of wilde pruim(eboom): veroud. namen, vermoedelijk voor de boom en de vrucht die nu bekend zijn als mope* (1 en 2): z.a. Westeroüen v.M. (1883: 46): Mopé of wilde pruimenboom. Kappler (1854): indiaansche pruimenboomen (Spondias?) (35). - Een gegist bier uit aardvruchten*, waarbij men nog het sap van ananassen of van indiaansche pruimen mengt [kasiri*] (70). - Etym.: In het E van Guyana ’plum’ (= pruim). - Syn. (van de vrucht) ook: varkenspruim*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pruim I: vrug- en pln. (Prunus domestica, fam. Amygdalaceae/Rosaceae); Ndl. pruim (Mnl. prūme), Hd. pflaume, Eng. plum en prune, Fr. prune, It. pruno, gaan terug op Lat. prunum, “pruim”, mntl. v. Oosterse herk.

pruimpie: Kem (WFA 38) stel d. vraag of pruimpie (en ander dgl. gevalle, bv. herkoutjie) sonder meer as ’n dim. v. pruim I of misk. as ’n dim. deverb. by pruim II beskou moet word; vgl. pootjie wat dikw. ww. is, terwyl pruimpie gew. s.nw. is.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Pruim snw. Segsw.: Nie pruim kan sê nie, niks vir jouself te sè hê nie. – Vgl. Stoett no. 1894 en verder Van de Water 121: Dǝn heélǝn aovǝnd hėet ie gin pruim gǝzéed: Boekenoogen 796: Ze zegt geen pruim voor een mand vol.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pruim (Grieks proumnon)

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Pruimen op sap zetten

In maart 1998 schreef Theodor Holman in Het Parool: ‘Ach ja, wie kent niet de dertien synoniemen voor het begrip copuleren die van Kooten en De Bie gebruikten in hun misschien wel beroemdste sketch, uitgesproken in de Houtrusthallen in 1977 in Den Haag: bonken, wippen, kieren, soppen, palen, ketsen, pompen, een punt zetten, kunstbiljarten, een veeg geven, van wippestein gaan, in de suikerpot roeren en de pruimen op sap zetten.’

In feite gebruikten Van Kooten en De Bie in deze fameuze sketch 23 synoniemen voor de eeuwige beweging. Zoals bij bonken al werd uiteengezet, is van tien van deze woorden of uitdrukkingen zeker dat ze ouder zijn dan Hengstenbal, soms zelfs beduidend ouder. Van twee is dit onzeker. Blijven er elf over die wellicht door Van Kooten en De Bie zijn bedacht of verbreid. Alleen van bonken, de pruimen op sap zetten en van wippenstein gaan is duidelijk dat ze nog met enige regelmaat worden gebruikt.

Er zijn verschillende aanwijzingen dat Van Kooten en De Bie de seksuele betekenis van de pruimen op sap zetten hebben verzonnen: zij zeggen dit zelf, het is niet eerder in deze betekenis aangetroffen, en ook het Erotisch woordenboek geeft Hengstenbal als oudste vindplaats. De enige aanwijzing dat het toch ouder zou kunnen zijn komt van prof. dr. Bob Smalhout. Aan Opzij vertelde Smalhout onlangs over zijn ervaring met seksuele voorlichting in militaire dienst. Van een onderofficier kreeg Smalhout te horen:

Moeilijk woord Mannen, seksuele voorlichting is een moeilijk woord, maar jullie weten waar het om gaat: het gaat om de seks, dat wil dus zeggen het neuken, het naaien, het krikken, het rukken, de pruimen op sap zetten. Je hebt dus twee soorten mensen: de hetero’s — dat zijn jullie en ik — en de homo’s, ook wel genoemd de ruigpoten, de bruinwerkers, de aambeienschoffelaars. En zo ging dat een uur lang door.

Smalhout is van 1913, dus hij zal lang vóór Hengstenbal in dienst hebben gezeten, maar het is natuurlijk de vraag of hij zich de woorden van de onderofficier correct herinnert. Zeker is dat Van Kooten en De Bie aan de verbreiding van deze uitdrukking hebben bijgedragen. Dat blijkt ook uit het feit dat de pruimen op sap zetten vaak samen wordt genoemd met andere uitdrukkingen die alleen op Hengstenbal te vinden zijn.

De uitdrukking wortelt overigens in een oude traditie: rospruim wordt al sinds de zestiende eeuw voor ‘vagina’ gebruikt, pruim sinds het begin van de zeventiende eeuw, in de negentiende eeuw zei men in Oost-Vlaanderen de gare pruimen schudden voor ‘neuken’ en in Enschede zeggen ze: op de proem’n kroep’n (‘op de pruimen kruipen’).

Je kunt pruimen trouwens ook echt op sap zetten: vooral de reine-claude leent zich daar volgens onze kookboeken uitstekend voor.

Zie ook bonken en van wippenstein gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pruim, pruimpje ‘tabakspruim’ -> Vastelands-Noord-Fries prüüinte ‘pruimtabak’; Duits † Priem ‘pruimtabak’; Pools prymka ‘stukje pruimtabak’ ; Ambons-Maleis proimpi ‘tabakspruim’; Kupang-Maleis proimpi ‘tabakspruim’; Menadonees proimpi ‘tabakspruim’; Ternataans-Maleis proimpi ‘tabakspruim’; Petjoh proempie ‘sirih-pruim of soesoer’ .

pruim ‘steenvrucht’ -> Duits dialect Präume ‘steenvrucht’; Deens blomme ‘steenvrucht’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds plommon ‘steenvrucht’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins luumu ‘steenvrucht’ ; Ests ploom ‘steenvrucht’ ; Noord-Sotho poreime ‘steenvrucht’ ; Tswana poreimi ‘steenvrucht’ ; Zuid-Sotho poraema ‘steenvrucht’ ; Indonesisch prém ‘steenvrucht’; Negerhollands pruum, prim, plim ‘steenvrucht’; Papiaments preimu (ouder: pruim) ‘steenvrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pruim vrucht 1377-1378 [MNW] <Grieks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal