Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pruilen - (mokken)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

pruilen ww. ‘de lippen tuiten van teleurstelling’
Middelnederlands pruulstu ‘pruil jij’ (ende alsment di bidt, so pruulstu ‘rogata non cantas’; Hol. 1464–1485), hi pruult ‘hij pruilt’ (Hol., 1430–1450), pruylen ‘mopperen’ (1477). Nieuwnl. pruylen ‘mopperen, treuren’ (1552–1554), pruilen (1615) ‘mopperen, boos zijn, dreinen, treuren’. In dialecten: proelen in Gelderland, Overijssel, Drente, prullen in Noord-Holland, prollen ‘pruilen, knoeien, zuipen’ in Zeeland. Daarnaast Mnl. proel m. o. ‘mooie woorden, woordenpraal’ (1479). Met korte klinker: Mnl. prollen ‘brommen, grommen’ (1490), Nnl. prollen ‘grommen’ (1643).
Verwante vormen: Middelnederduits prūlich ‘pruilerig’. Onzeker is de verwantschap van Middelengels prolle, VroegMoE prowle, proole, MoE prowl ‘rondsluipen, clandestien verkrijgen’. Daarnaast Laatmiddelengels purle ‘rondsluipen’, met metathese uit *prulle. Of de Engelse woorden inderdaad verwant zijn, hangt ervan af of men ‘pruilen’ of ‘mopperen’ qua betekenis met ‘rondsluipen’ wil verbinden.
We moeten uitgaan van *prūl- ‘pruilen’ in het Noordnederlands en Nederduits, en *prul- in het hele Nederlands. Gezien Mnl. proel ‘mooie woorden’ en prollen ‘brommen’ lijkt de beste verbinding die te zijn met Middelnederduits pralen ‘luid spreken, snoeven’, een afleiding van Mnd. prāl ‘lawaai, opschepperij’ (in de standaardtaal gekomen via het Hoogduits, zie bij pralen). Dan was het geluid dat bij mopperend ‘brommen’ hoort dus de oudste betekenis van pruilen, dat zich later heeft beperkt tot de bijbehorende gezichtsuitdrukking. Deze onomatopoëtische woorden met pr- kunnen met brallen en brullen verbonden worden waarin ook a- en u-vocalisme afwisselen, net als in pralen naast pruilen. De variatie tussen br- en pr- kan op het konto van hun klanknabootsende karakter geschreven worden.
[Gepubliceerd op 16-03-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pruilen* [mokken] {prulen 1475} middelnederduits prulen, klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pruilen ww., laat-mnl. prûlen, ook nnd. en fri., vgl. reeds mnd. prūlich ‘pruilerig’. Daarnaast mnl. proel m. o. ‘mooie woorden, woordenpraal’. Met korte klinker: zuidnnl. prullen ‘kletsen, talmen, futselen’ en me. prollen, ne. prowl ‘rondsluipen’. Verder betekent nnl. prollig ‘dik, gestremd’. — De bet. varianten ‘pruilen’, ‘pralen’ en ‘kletsen’ wijzen op een gelijksoortige formatie als pronken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pruilen ww., laat-mnl. prûlen. Een ook ndd. en fri. ww. Mnd. reeds prûlich “pruilerig”. Een jong woord. ’t Rijmwoord mnl. mnd. mûlen “brommig kijken, boos zijn” (van muil II) kan bij ’t ontstaan van invloed zijn geweest. Overigens wsch. onomatop. Vgl. ook laat-mnl. prollen “fremere”, oudnnl., nog Wormersch prullen “pruilen, pruttelen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pruilen ono.w., Mnl. prulen: onom.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pruilen* mokken 1475 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut