Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

provenier - (geestelijke die toelage ontvangt)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

provenier [geestelijke die toelage ontvangt] {provengier 1520} van prove in de betekenis ‘jaarlijkse toelage in een stift, hofje’ e.d. (vgl. preuve).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

provenier znw. m., mnl. prōvenāre, prōvendāre, pr ovender(e), pr ovendenāre ‘die een prebende heeft, kanunnik’, mnd. provender, prōvener, proventērer, ohd. pfrūntāri, pfrūndināri ‘die een provende heeft’, ofri. provener. Ten grondslag ligt mnl. prōven( e) naast provende v. ‘recht op dagelijkse uitkering van een bepaalde hoeveelheid spijs en drank, rantsoen, recht op renten uit een op een geestelijke stichting vastgezette som gelds; inkomsten van een klooster’, mnl. prōvene, provende ( > laat-on. prōvenda, prōventa ‘prebende’), ohd. pfruonta v. (nhd. pfründe) ‘voeding, onderhoud, volgens contract uit te delen levensmiddelen, geestelijk ambt, prebende’ < mlat. provenda < lat. praebenda ‘wat verschaft moet worden’ onder invloed van lat. providēre ‘verzorgen’. Het woord stamt uit het economische stelsel der grote landgoederen in West-Francië en wordt dan ook door de kerk overgenomen, toen zij grootgrondbezitter werd. Sedert de 9de eeuw is de bet. ‘wat aan een kapittelgeestelijke als remuneratie van zijn diensten gegeven wordt’. Uit Noord-Frankrijk drong het woord het Germaanse taalgebied binnen. De oude vorm vertoont nog os. preƀenda ‘levensonderhoud van geestelijken’, evenals de bij ons veel later opnieuw overgenomen vorm prebende. Door de Germaanse klemtoon op het woord trad verkorting in zoals mnl. prōve, mnd. prōven m., nnl. prove v. m. gewoonlijk preuve = nnd. pröven, ook ofri. prove.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

provenier znw., nog niet bij Kil. Afl. van Kil. mnl. prōven(e) v. (m.), een bijvorm met beginbetoning van mnl. provende v. “recht op dagelijksche uitkeering van spijs en drank, rantsoen, recht op renten (vooral uit geestelijke goederen), prebende”; hiervan mnl. prōvenaer resp. provendâre, provender(e), provendenâre m. “die een prebende heeft, kanunnik”. Vgl. ohd. pfrûntâri, pfrûndinâri, mnd. provender, prōvener, proventêrer m. “die een prebende heeft”. Mnl. provendier m. “id.” uit ofr. provendier. Mnl. prōvene, provende gaat evenals ohd. pfruonta v. “voeding, onderhoud, naar een overeenkomst uitgedeelde levensmiddelen, geestelijk ambt, prebende” (nhd. pfründe), mnd. prōvene, provende v. (in bet. = mnl. prōvene), ofri. pronde v. “prebende”, on. prôventa, -da v. “geld waarvoor men iemand onderhouden moet, prebende van een kanunnik” op rom. mlat. provenda, een jongeren vorm naast lat. praebenda v., terug. Dit laatste is os. als preƀenda v. “levensonderhoud (van geestelijken)” ontleend en in een latere taalperiode bij ons als prebende en in dgl. vorm ook elders. Mnl. en bij Kil. komt ook prōve voor, mnd. prōven m. (nnd pröven, nnl. preuve). Vgl. proviand.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

provenier. Met mnl. prōvenaer stemt ofri. (wellicht aan het Mnl. ontleend) provener m. ‘die een prebende heeft’ overeen; met mnl. prōve ofri. prove v. ‘prebende’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

provenier m., met Rom. suff. van prove: vergel. Fr. prébendier van prébende.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal