Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prop - in de uitdrukking op de proppen komen

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prop1* in de uitdrukking op de proppen komen [te voorschijn komen] {1787} betekent prop ‘stut’, ‘been’, vgl. engels prop [steun], en vgl. op de lappen gaan.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1338. Weer op de lappen zijn,

d.w.z. weder hersteld zijn, weer op de been zijn; onder ‘lappen’ verstaat men eig. de schoenzolen of lapzolen (Zuidnederl.); zie Boekenoogen, 558 en vgl. Waasch Idiot. 388 b: veur of op de lappen kommen, voor den dag komen; De Bo, 610 en Schuermans, 326: op zijne lappen zijn, gezond zijn; Antw. Idiot. 746: op de lappen zijn, aan den zwier zijn. De uitdr. is dus syn. met: weer op de been, op de proppen, op zijn stokken (Rutten, 220 b), ter leê zijn (Schuerm. 328 b); weder op de bouten komen (Ndl. Wdb. III, 759). Dezelfde beteekenis heeft ‘lappen’ in de uitdr. met iets op de lappen komen, met iets voor den dag komen, iets ter tafel brengen (Molema, 238), dat in de 18de eeuw voorkomt in de Brieven van Abraham BlankaartPenon V, 277; Kom aan! het Evangelie eens op de lappen. Want, hoe wy ook in veelen dwars van elkander afwyken, zo heb ik toch nooit bespeurt, dat wy over dat Boekje het niet eens waren!, alsook bij Harreb. II, 9: Hij durft er niet mede op de lappen komen; en in op de lappen gaan, 17de eeuw: zich op de lappen maken (in de Gew. Weeuw. II, 12); hd. sich auf die Socken machen; nd. sik up de Scholappen geven, er vandoor gaan; zie Welters, 90: hij geeft zich op de lappen, zolen (= op reis); Rutten, 129: op de of zijn lappen gaan, zijn of loopen (op zwier gaan; zie ook De Bo, 610 en Schuerm. 326; Claes, 132; Teirl. II, 200; Antw. Idiot. 746); Afrik. op die lappe kom, bring, openbaar worden, ter sprake komen. Ook in het Oostfri. is bekend frô up de lappen wesen, früh auf die Sohle sein, sich früh aufmachen (Ten Doornk. Koolm. II, 470 b); vgl. ook Eckart, 472; Woeste, 157: he mâket sich op de lappen; fri. op 'e lappen (komme).

1892. Op de proppen komen,

d.w.z. te voorschijn komen; op de lappen komen; in het fri. op 'e proppen komme, weer op de been komen, herstellen; met iets of iemand voor den dag komen; in het gesprek te pas gebracht worden; Molema, 337 b: Op de proppen komen, wordt van eene gunstige wending in finantieele omstandigheden gezegd; ook na eene ongesteldheid weder op de been komen, de vouten weer onder 't lief kriegen (Molema, 556); met iets op de proppen komen, er mee voor den dag komen, de zaak blootleggen. In de 18de eeuw treffen we deze uitdr. aan in de Brieven van Abr. Bl. I, 193: Daar komt drift op de proppen, en die moet de plaats opgeeven aan styfkoppigheid; W. Leevend I, 193: Toen wy zouden thee drinken, kwam Oom op de proppen; C. Wildsch. V, 304: Dan moeten zo alle krachten op de proppen; Brieven v. B. Wolff, 186; Janus, 7: Het plan van eene gewapende Neutraliteit begint hier weêr op de proppen te komen; V. Janus III, 232: zich op de proppen vertoonen; in Sara Burgerhart, 118 lezen we: Als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christen mensch betaamt. Zie verder Het Volk, 22 Oct. 1913. p. 5 k. 4; 2 Febr. 1914, p. 7 k. 4; 4 Febr. p. 6 k. 2; 11 Juni 1914, p. 5 k. 1; Nkr. II, 7 Juni p. 6; III, 7 Febr. p. 2; 16 Mei, p. 2; IV, 15 Mei, p. 2; VII, 13 Dec., p. 2; Prikk. V, 26; Dievenp. 16; Handelsbl. 12 Juni 1913 (avondbl.), p. 9 k. 5; Nest, 34; Afrik. op die proppe kom. Het znw. ‘prop’ moet hier worden opgevat in de bet. van stut, steun, been. Kiliaen vertaalt proppe door pedamen, fulcimentum, fulcum, en in het eng. bet. a prop thans nog een stut, steun; to prop, stutten. De uitdr. is dus te vergelijken met het gron. op de kloeten (op de been; eig. op de stokken (mnl. cloeteVgl. den naam laadstokken, kuierstokken (Köster Henke, 37; Jord. II, 517), kuierlatten (Peet, 199)., zie Molema, 206 a); op de kneppels komen (Noord en Zuid, X, 93); 18de eeuw: op de bouten (= beenen) komen (Sewel); op de staken kommen, van zijn stoel opstaan (Dr. Bl. III, 46); vgl. ook hoog op zijn latten staan (Jord. 19); het Zuidnederl. op zijne stokken (stekken) zijn, weêr te been, gezond zijn (Schuermans, 683 a; Bijv. 320 b en Tuerlinckx, 512). In Deventer: van de kegels vallen; iemand van de kegels smijten (Draaijer, 19 a); eng. on one's pins, op de beenen, gezond en wel: in 't fr. spreekt men van quille, pincettes, flûtes, canne, baguette, arcadesLeuv. Bijdr. XIII, 186.. Vgl. no. 1338.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut