Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pronken - (zich opgetooid vertonen, pralen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pronken ww. ‘zich opgetooid vertonen, pralen’
Mnl. proncken ‘pralen’ [1315; WNT], ‘pruilen, knorrig zijn’ in gene heren twee, die al bronkende henevaren ‘die twee ridders, die al grommend vertrekken’ [ca. 1350; MNW] (maar in een teksthandschrift uit ca. 1400 staat pronkende), Daer stont sie gepronket ende gecijrt ‘daar stond ze opgetooid en versierd’ [1485; MNW]; vnnl. pronken ‘pruilen, knorrig zijn’ [1562; Naembouck].
Misschien is er verband met mnl. pronck ‘stuurs; fier’: (meisjes) die overschoon sijn ende jonck, die sijn so druetich (‘veeleisend’) ende so pronck [1450-150; MNW], vergelijk mnl. pronck ‘boos gezicht’ [1450-1500; MNW]. In het Vlaams betekent pronken nog steeds ‘verongelijkt kijken, mokken’ (Debrabandere 2002, 2005). De oorspr. betekenis zal wel ‘pralen’ zijn. De betekenisontwikkeling is te vergelijken met die van Duits sich zieren, dat zowel ‘zich opsmukken’ als ‘zich aanstellen, preuts doen’ betekent.
Mnd. prunken ‘pronken, trots rondlopen’; nhd. prangen ‘pralen, prijken’. Herkomst onduidelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pronken* [pralen] {1440 in de betekenis ‘een ernstig gezicht zetten, pruilen, pralen’} middelhoogduits prangen [zich tooien], middelengels pranken (engels to prank to prink); etymologie onbekend, vermoedelijk bij prangen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pronken ww. ‘vertoonmaken’; (zuidnl.) ‘pruilen, mokken’, mnl. proncken ‘pralen; pruilen, knorrig zijn’, vgl. Kiliaen pronken ‘pruilen; bewolkt zijn’ (vgl. zuidnl. de lucht pronkt). Met deze bet. stemt overeen mnl. pronck bnw. ‘stuurs’, znw. ‘boos gezicht’, Kiliaen pronck ‘boos gezicht; wolk’ en ook, maar als holl. aangeduid, ‘pronk’. — mnd. prunken ‘pronken, pralen’. — Hiernaast mnl. bronken ‘pronken; pruilen’, Teuth. brunken ‘pralen’, mhd. brunken ‘te kijk zetten’. — Denken wij aan woorden als prachen, pralen, dan mag men aannemen, dat in de bet. ‘pralen’ men moet uitgaan van een bet. ‘luid spreken, lawaai maken’ (J. H. van Lessen WNT 12, 2, 4424). Gaat men dan eenmaal van een klankwoord uit, dan kan men daarvan ook de weg vinden tot ‘mokken, mopperen’ > ‘pruilen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pronken ww., mnl. pronken 1. “pruilen, knorrig of ernstig kijken”, 2. “pronken, pralen” en “oppronken”. Bet. 1 ook bij Kil. (ook “bewolkt zijn”) en nog zuidndl. dial.; hierbij mnl. pronc bnw. “stuursch”, znw. “boos gezicht”, Kil. pronck “id.” en (“vetus”) “nubilum, nubes”. Pronck “pronk” noemt Kil. “Holl.”, mnd. komt prunken “pronken, pralen” voor. Uit het Ndd. nhd. prunk m., prunken ww. Hiernaast mnl. bronken “pronken, pruilen”, Teuth. brunken “pralen”, mhd. brunken “te kijk zetten”. Vgl. voor pr-: br- ook bij pralen en pracht. Grondvorm en grondbet. zijn niet vast te stellen; mhd. prangen, brangen “prijken, pronken” (nhd. prangen) maakt de beoordeeling niet gemakkelijker. De afwijkende bett. zjjn te begrijpen, als we van “gewichtig doen” uitgaan. De combinatie met lit. brangùs “duur” dat idg. b (= germ. p) of bh (= germ. b) kan hebben, is semantisch zeer onzeker, tenzij wij pronken alleen met de bet. “pralen” hierbij brengen en in pronken “pruilen” een ander woord zien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pronken (slot). De bet. ‘pruilen’ kan zeer wel uit ‘pralen, trots zijn’ zijn ontwikkeld, zodat het in geen geval noodzakelijk is in pronken ‘pruilen’ een ander woord te zien. Met dat al blijft de combinatie met lit. brangùs ‘duur’ zeer onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pronken ono.w., + Hgd. prunken, Eng. to prank, prink, verwant met Hgd. prangen: z. prijken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

brokken, ww.: pruilen. Door wegval van de n uit bronken.

bronken 1, ww.: pruilen, mokken; dreigen (van onweer). Ook Br. en Vl. pronken ‘pruilen, bouderen, mokken, verongelijkt kijken; wisselvallig zijn (van het weer); brommend dreigen van runderen’. Mnl. pronken ‘pruilen, knorrig zijn’, pronc ‘misnoegd gelaat’, Vnnl. pronken oft muten ‘brousser ou faire la mouë’ (Lambrecht), broncken, proncken ‘misnoegd kijken’ (Kiliaan). De oorspr. bet. zal wel ‘pronken, pralen, schitteren, te pronk staan’ zijn. Vgl. E. to prank, D. prangen ‘pralen, prijken’, Pranger ‘schandpaal, dus waar iemand te pronk staat’. Vgl. D. sich zieren, dat zowel ‘zich opsmukken’ als ‘zich aanstellen, preuts doen’ betekent.

bronken 2, ww.: een processie houden, paraderen. De oorspr. bet. is ‘pronken, pralen, schitteren, te pronk staan’. Mhd. brunken ‘te kijk zetten’. De bet. ‘processie (houden)’, naar het pronkerige ervan. Hetzelfde woord als bronken 1.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pronken, bronken, brokken, ww.: pruilen, bouderen, mokken, verongelijkt kijken; wisselvallig zijn (van het weer); brommend dreigen van runderen. Ook Vlaams. Mnl. pronken ‘pruilen, knorrig zijn’, pronc ‘misnoegd gelaat’, Vnnl. pronken oft muten ‘brousser ou faire la mouë’ (Lambrecht), proncken ‘misnoegd kijken’ (Kiliaan). De oorspr. bet. zal wel ‘pronken, pralen, schitteren, te pronk staan’ zijn. Vgl. E. to prank, D. prangen ‘pralen, prijken’, Pranger ‘schandpaal, dus waar iemand te pronk staat’. Vgl. D. sich zieren, dat zowel ‘zich opsmukken’ als ‘zich aanstellen, preuts doen’ betekent.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

pronken (B, E, G, W), ww.: pruilen, bouderen, mokken, verongelijkt kijken; wisselvallig zijn (van het weer). Ook Wvl. Mnl. pronken 'pruilen, knorrig zijn', pronc 'misnoegd gelaat', Vnnl. pronken oft muten 'brousser ou faire la mouë' (Lambrecht), proncken 'misnoegd kijken' (Kiliaan). De oorspr. bet. zal wel 'pronken, pralen, schitteren, te pronk staan' zijn. Vgl. E. to prank, D. prangen 'pralen, prijken', Pranger 'schandpaal, dus waar iemand te pronk staat'. Vgl. D. sich zieren, dat zowel 'zich opsmukken' als 'zich aanstellen, preuts doen' betekent. Samenst. pronkwere (G) 'bewolkte hemel, veranderlijk weer'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pronk ww.
1. In die openbaar vertoon maak, spog. 2. Skitter, sonder gedagte aan vertoon.
Uit Ndl. pronken (al Mnl.).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1896 in bet. 1), spesifiek toegepas op die kenmerkende vertoon van 'n springbok.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

pronken (B, K, O, DB), bronken (DB), ww.: verongelijkt kijken, mokken, bouderen (K, DB), wisselvallig zijn van het weer, verwelken (O). Mnl. pronken ‘pruilen, knorrig zijn’, pronc ‘misnoegd gelaat’, Vroegnnl. proncken ‘vultum componere, adducere, frontem subducere, trahere vultum, induere vultum severum’ (Kiliaan). De oorspr. bet. zal wel ‘pronken, pralen, schitteren, te pronk staan’ zijn. Vgl. E. to prank, D. prangen ‘pralen, prijken’, Pranger ‘schandpaal, dus ‘waar iemand te pronk staat’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pronk: spog, vertoon maak; Ndl. pronken (Mnl. proncken, “praal” (ww.), by Kil pronken, “nors/stuurs wees”); ouer bet. skyn te wees “lawaai maak” en verskil n.g.v. “vrolike” of “nukkerige” lawaai.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pronken ‘pralen’ -> Engels pronk ‘in de lucht springen als alarmsignaal (van een springbok)’ ; Schots prink; prunk ‘opdirken; met een zwierige, zelfbewuste gang lopen’; Zweeds prunka ‘pralen, schitteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis pronk ‘oppronken’; Papiaments prònk (ouder: pronk) ‘pralen; heel netjes inrichten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pronken* pralen 1440 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2341. Pronken met een ander(mans) (of geleende) veeren,

d.w.z. mooi zijn met de kleedingstukken of sieraden van een ander; met het werk van een ander eer of roem verwerven; lat. alienis se coloribus adornare (Otto, 15). De zegswijze is ontleend aan de Aesopische fabel van de kraai (Phaedrus, 1, 3), die zich sierde met de veeren van den pauw (Vondel, War. d. Dieren, 48). Zie Hooft, Brieven, 509: Op de rest verstaa ik my eeven weinig met d'onervaarendsten in de titsigheeden van 't Hof; ende is derhalven benoodigt, met oneige pluimen te pronken; Sewel, 654: Met een anders veeren pronken, to strut with anothers feathers. Vgl. ook Tuinman I, 4; II, 8; Handelsblad, 15 Maart 1914 (ochtendbl.) p. 6 k. 3: Haast alle vogels prijken met geleende veeren op muzikaal gebied en de spreeuw is de knapste notendief van allen; afrik. hy pronk met anderman se vere; Wander I, 954: sich mit fremden Federn schmücken; fr. c'est le geai paré des plumes du paon, il se fait honneur de ce qui n'est pas à lui (Hatzfeld, 1759 b); eng. to adorn oneself with borrowed plumes; fri. mei in oarmâns fearren pronkje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal