Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

proef - (test, experiment)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

proef zn. ‘test, experiment’
Mnl. prueve, prove, proeve ‘bewijs’ in sonder ander prueue ‘zonder ander bewijs’ [1285; VMNW], ‘onderzoek’ in ondersoeke, ende proue [1298; VMNW]; vnnl. prouf ‘gilde-examen, meesterproef’ in die de prouf ... moeten afnemen [1583; WNT], proef ‘bewijs, bewijsgrond, redenering, argument’ en proef, proeve ‘experiment, onderzoek, probeersel’ en proeve ‘proef of voorproef van spijs of drank’ [alle 1599; Kil.], ‘staal, monster’ in proefkens of monsterkens [1646; WNT], ‘probeersel, eerste versie’ in we krijgen der ... eerst een proef van [1694; WNT]; nnl. proef, proeve ‘experiment’ in Natuurkundige Proeven [1765; WNT], ‘bewijs’ of ‘examen’ o.a. nog in de uitdrukking proeve van bekwaamheid [1807; WNT], ‘probeersel, eerste versie’ o.a. nog in drukproef [1825; WNT drukproef], ‘test’ in bloedproef ‘bepaling van het alcoholgehalte in het bloed’ in na ... de bloedproef in de cel opgesloten ter ontnuchtering [1950; Soester Courant].
Ontleend aan Frans preuve ‘proefneming’ [1253; TLF], eerder al ‘bewijs’ [1160-74; TLF], variant proeve [1283; TLF affirmatif], afleiding van prouver ‘aantonen, bewijzen’, zie → proeven.
proefballon zn. ‘handeling of uitlating om reacties uit te lokken’. Nnl. proefballon ‘uitlating of handeling als proef om reacties te testen’ in men beschouwt het bericht als een proefballon [1909; Archief Eemland], proefballon ‘kleine ballon opgelaten om richting en kracht van de wind te leren kennen’, ‘middeltje om de zienswijze of de mening van iemand of een groep te leren kennen’ [1912; Koenen], (bod bij bridge) één schoppen ... een proefballon [1918; Groene Amsterdammer]. Samenstelling van proef en → ballon, als vertaling van Frans ballon d'essai.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

proef [onderzoek] {proeve, prove [bewijs, bewijsstuk, proefstuk, onderzoek, proef] 1286} < oudfrans prove [idem] (frans preuve) < latijn proba, van probare [keuren, beoordelen, bewijzen] (vgl. proberen, proeven).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

proef, proeve znw. v., mnl. proeve, prouve v. ‘bewijs, proefstuk, onderzoek, proef, voorproef’, mnd. prōve ‘proef, poging, onderzoek’ ( > laat-on. prōf ‘proef, getuigenis, bewijs’). — Eensdeels zullen deze woorden teruggaan op ofra. prueve (nfra. preuve) of < lat. proba, anderdeels een afl. zijn van het ww. proeven.

Het laat-mhd. probe stamt rechtstreeks uit het lat. woord. Het vlaamse preuve ‘proef, bewijs, beproeving’ zal wel op fra. preuve teruggaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

proef, proeve znw., mnl. proeve (prouve) v. “bewijs, proefstuk, onderzoek, proef, voorproef”. = mnd. prôve v. “proef, poging, onderzoek”, ’t Laat-On. kent prôf o. “bewijs, getuigenis, onderzoek”. Deze woorden zijn wsch. deels uit mlat. proba (fr. preuve) “onderzoek, proef” ontleend, deels van proeven afgeleid. Een jongere ontl. is laat-mhd. (md. 1434) prôbe (nhd. probe) v. “proef”, ’t Vla. heeft preuve “proef, bewijs, beproeving-”, in ’t Mnl. zeldzaam; wsch. van fr. preuve. Hierbij vla. preuven “bewijzen, beproeven”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

proef v., Mnl. proeve, gelijk Hgd. probe, Eng. proof, uit Mlat. proba of Ofra. prove (thans preuve), verbaalabstr. van prover (prouver), Lat. probare = beproeven, goedkeuren, denom. van probus - goed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

proef: ondersoek, toets, bewys; Ndl. proef/proeve (Mnl. proeve/prouve, by vRieb o.a. proeff en preuve), Hd. probe, Eng. proof, via Ofr. prueve (Fr. preuve) of direk uit Lat. proba, vgl. proe.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

proefje In 1980 gesignaleerd in Oosterhout in Noord-Brabant, als preufken en pruufke. Het gaat hier om een van de talloze borrelnamen die de geringe hoeveelheid drank per glaasje benadrukken.

[PJM 55]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Proef, van ’t Ofr. prove (thans preuve) van prover, Lat.: probare = goedkeuren, onderzoeken of iets goeds is; van probus = goed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

proef ‘onderzoek’ -> Deens prøve ‘onderzoek’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds prov ‘onderzoek’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch pruf ‘drukproef’; Negerhollands proev ‘onderzoek, monster’; Papiaments pruf ‘onderzoek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

proef onderzoek 1286 [CG I2, 1102] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1888. Iemand (of iets) op de proef stellen,

d.i. iemand of iets aan eene proef, een onderzoek onderwerpen; beproeven, om de innerlijke waarde te onderzoeken, vooral gezegd van iemands eigenschappen of gezindheden, als: geduld, vroomheid, deugdzaamheid, enz. Oorspr. gezegd van ertsen of metalen, naar wier allooi, gehalte, een onderzoek gedaan wordt en bij uitbreiding toegepast op personen en hunne eigenschappen; vgl. Spreuken XVII, 3; mnl. enen ter proeve doen. In de 17de eeuw komt de uitdr. o.a. voor bij Vondel, Salmoneus, vs. 267: Uw Heiligheit wort op de proef gestelt; Pers, 510 a: Deze raed zijnde van Alva op den proef gestelt, pooghde men nu te voltrecken; zie verder C. Wildsch. IV, 428; Halma, 644; Waasch Idiot. 655 b: iemand op den toetssteen leggen; Afrik. iemand op die proef stel; hd. einen auf die Probe stellen, setzen, legenGrimm VII, 2142.; fr. mettre qqn à l'épreuve; eng. to put a person to the test (or proof).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut