Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prins - (koningszoon, vorst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

prins zn. ‘koningszoon, vorst’
Mnl. prince, prinche ‘vorst’ in en prinche ... dat was die here van den lande ‘een vorst, namelijk de landsheer’ [1265-70; VMNW], ‘hoofd, leider’ in prinche van iudas gheslachte ‘hoofd van het geslacht van Juda’ [1285; VMNW]; vnnl. prince, prins ‘koningszoon’ in een Prince is ons gheboren [ca. 1530; WNT], ‘voornaamste, grootste persoon’ in Cicero ... was den prince van den Orateuren [1548; WNT], prince ‘leider, vorst, heerser’ [1599; Kil.], syne Excellencie den Heere Prince van Orange [1631; WNT].
Ontleend aan Frans prince ‘koningszoon’ [1524; TLF], eerder al ‘vorst, iemand met soeverein gezag’ [1100-50; TLF], ontwikkeld uit Latijn princeps ‘belangrijkste persoon, leider, voorzitter, keizer’, zelfstandig gebruik van het bn. princeps ‘eerst, belangrijkst’, letterlijk ‘het eerst nemend’, gevormd uit prīmus ‘eerste’, zie → prima, en -ceps, onbeklemtoonde variant van -caps, een afleiding van de stam van capere ‘nemen’, verwant met → hebben.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prins [vorst, koningszoon] {prince [vorst, opperhoofd] 1265-1270} < oudfrans prince < latijn princeps, van primus [de eerste] + capere (in samenstellingen -cipere) [pakken, grijpen, een plaats innemen]. De uitdrukking hij heeft de prins gesproken [is dronken] zal vermoedelijk slaan op rederijkerskamers die geleid werden door een prins: de installaties ontaardden nogal eens in dronkenmansfeesten. De uitdrukking van de prins geen kwaad weten is stellig ontstaan in de tijd dat de prins van Oranje in hoog aanzien stond. De uitdrukking hij is met de prins over de Maas geweest [hij heeft veel meegemaakt] slaat op de veldtocht van Willem de Zwijger in 1568.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prins znw. m., mnl. prince, prinse, prinche ‘vorst, voornaamste leider’, evenals mnd. prince, prinse, mhd. prinze, ne. prince ‘vorst, prins’ < ofra. prince < lat. princeps ‘voornaamste, vorst’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prins znw., mnl. prince, prinse, prinche m. “vorst, hoofdleider”. Evenals mhd. prinze (nhd. prinz), mnd. prince, prinse m., eng. prince “vorst, prins” uit fr. prince > lat. princeps “voornaamste, vorst”. De mnl. ch wijst op ontl. uit ’t Pic.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prins m., gelijk Hgd. prinz, Eng. prince, uit Fr. prince, van Lat. principem (-ceps) = overste, die de eerste plaats inneemt (prin- voor prim- van primus = eerste, een afleid. van pro: z. voor; — -ceps, van capere: z. heffen). Den prins, ook den Keizer gezien hebben, eigenlijk aan de installatie van den prins van een Kamer of den keizer van een schuttersgild deelgenomen hebben.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

prins (Frans prince)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Prins (Lat. princeps = de eerste, de voorste). Bij de Romeinen was dit een eeretitel, bijv. de “princeps senatus” was de eerste op de lijst der senatoren en bracht het eerst zijn stem uit; ook de zoons en kleinzoons van den keizer mochten den titel van “princeps iuventutis” voeren. (Oorspronkelijk waren de “principes” de eersten, de voorsten in het gevecht, vandaar nog ons “vorst.”)
In de eerste middeleeuwen noemde men al de geestelijke en wereldlijke heeren “principes”, doch ten laatste werd de titel alleen toegekend aan regeerende heeren, aan wat wij nu vorsten noemen. (Het woord werd in onze taal tot prins verkort; in ’t Fransch: prince.) Het woord wordt thans als titel gevoerd door de niet-regeerende leden van vorstenhuizen (de regeerder heet bijv. keizer, koning, vorst, enz.), terwijl in Duitschland ook de leden van niet meer regeerende vorstenhuizen dien titel nog hebben behouden, bijv. de prins Von Wied. De oudste prins van regeerende vorstenhuizen heet erfprins, van keizerlijke of koninklijke huizen: kroonprins. In Frankrijk hadden vroeger alle leden van den hoogsten adel den titel van prins; zij echter, die aan het koninklijk huis verwant waren, heetten: “princes de sang royal” (in onze taal: “prinsen van den bloede”).

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Prins (Den) gesproken hebben, vroeger ook den keizer, in Z.-Ned. den goeverneur, veldwachter, reus gesproken hebben; ook wel de Prins, Keizer zijn. De beide eerste en beide laatste uitdrukkingen moeten ontstaan zijn in den bloeitijd van de rederijkerij: keizer en prins waren waardigheden bij het rederijkersgilde, en het is bekend, hoe het feestvieren, vooral bij groote wedstrijden, een grooten omvang had. Het wil dus zeggen: bij een (lustig) feest geweest zijn, of daarvandaan komen. De andere uitdrukkingen zullen meer in ’t algemeen beduiden in de stad geweest zijn, in den mond van buitenlui, en den reus gesproken hebben (in Antwerpen) zien op de ommegangen, waarbij een reus (den reuzegom) een onmisbare figuur was. Zooals bij uitdrukkingen, op dronkenschap betrekking hebbend, gewoonlijk, is het thema nog zeer uitgebreid. Niet onmogelijk is het, dat deze verklaring, bij Stoett te vinden, niet geheel juist is, en men met Mr. C. Bake bij den Prins te denken heeft aan onzen stadhouder, dus: hij kijkt boven de huizen, of wat beschonken (van blijdschap omdat hij dien persoon had ontmoet), of in deze en derg. uitdrukkingen te zien een toespeling op de grootsprekende taal, dikwijls door dronkaards gebezigd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Prins, van ’t Fr. prince en dat van ’t Lat. princeps = eerste, overste, voorste (prin, voor prim, van primus: eerste, en ceps van capere = vatten, nemen; dus letterlijk: die de eerste plaats inneemt).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

prins ‘vorst, koningszoon, adellijke titel’ -> Creools-Portugees (Batavia) prinsoe ‘koningszoon’; Negerhollands prints ‘vorst, koningszoon, adellijke titel’; Papiaments prens (ouder: prins) ‘vorst, koningszoon, adellijke titel’; Sranantongo prens ‘koningszoon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prins vorst, koningszoon, adellijke titel 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1596. Een nabob.

Volgens Dozy, Oosterlingen, 69 is dit ‘een woord, dat uit de Engelsche Oost gekomen is. Het is nuwwâb, meervoud van het Arab. nâib, eigenlijk plaatsvervanger, vandaar onderkoning, regent, prins. Daar deze in Indië gewoonlijk zeer rijk zijn, zoo wordt spottenderwijs ieder Engelschman, die in de Oost hooge posten bekleed of door den handel een aanzienlijk vermogen verkregen heeft, een nabob genoemd. Het woord is zonderling verknoeid en de Franschen zeggen iets beter nabab.’ Vgl. hd. ein Nabob; eng. a nabob.

1885. Hij heeft den prins gesproken,

d.w.z. hij is aangeschoten, dronken; zie Harrebomée I, 391: Hij heeft den prins (of den keizer) gezien (gesproken of ingehaald); Menschenw. 353; 406; hetzelfde als hij heeft 'em gesproken, de flesch aangesproken of hij heeft zijn broer gesproken; Drente: hi hef de baos espreuken, hij is dronken geweest (Bergsma, 29). In Zuid-Nederland gebruikt men hiervoor: hij heeft den keizer, den goeverneur, den veldwachter, Lippen gezien (Schuermans, 232 b; Bijv. 104 a; Teirl. II, 123; Antw. Idiot. 1804); te Antwerpen ook: hij heeft den reus gezien of gesproken (Schuerm. 536 a; Antw. Idiot. 1025) of: hij is deken (De Bo, 508 b; Antw. Idiot. 336); hij is keizer (Teirl. II, 123; Ndl. Wdb. VII, 2070); in Kl. Brab. hij is prins; elders hij is gouverneur of hij heeft den prins gezienFamiliekring, 115, 77; Joos, 121.; in het fri. hy het de prins spritsen. Waarschijnlijk, indien de uitdr. althans niet jong is, eene herinnering aan de gilden aan wier hoofd een prins, een koning of een keizer stondZie Schotel, Maatschappelijk Leven, 343 vlgg.; Kalff, Geschiedenis der Ndl. Lettk. in de 16de eeuw I, 94; Hildebrand. Na vijftig Jaar, bl. 86 (noot)., zooals o.a. bij de rederijkers. Vooral in lateren tijd ontaardden de gildemaaltijden in zwelgpartijen, dronkemanspartijen, waardoor gilde de bet. kon aannemen van doorbrenger, drinkebroer (Ndl. Wdb. IV, 2363) en eene spreekwijze ontstaan als rederijkers, kannekijkers. Op zulk een feest zag en sprak men den prins, den koningIk heb ergens gelezen: hij heeft den koning gezien, d.i. hij is dronken, doch de plaats kan ik niet weervinden; zie voor koning als hoofd van een rederijkerskamer Everaert, 542, 366. of den keizer en zijn mede-kamerbroeders, of trad men op in de waardigheid van prins of deken. In navolging hiervan is de uitdrukking den goeverneur en den reusMen denke aan den reus te Antwerpen. gezien hebben ontstaan, hetgeen wil zeggen: naar de stad geweest zijn (van een boer gezegd), dat ook voor Noordnederlandsche buitenlui dikwijls hetzelfde gevolg kan hebbenVercoullie, 229 denkt niet aan den prins van een gilde, maar aan een vorst blijkens zijne verklaring: eigenlijk aan de feestelijkheden eener blijde inkomst deelgenomen hebben. Nog andere verklaringen vindt men in Noord en Zuid XXVIII, bl. 283 (waar gedacht wordt aan herbergen, waar de Prins of zijn wapen uithing) en bl. 375. In het Mnl. kent men den riesen gesproken hebben, van zijn verstand beroofd zijn..

1886. Van den prins geen kwaad weten,

d.i. zich geen kwaad bewust zijn, geen kwaad vermoeden, argeloos zijn; syn. van den drommel geen kwaad weten (Harreb. I, 155 b of van God geen kwaad weten, dat in de 17de eeuw voorkomt bij Heinsius, Verm. Avant. I, 325; Poirters, Mask. 188 en thans nog in het Friesch bekend is, naast van Rodermont geen kwaad weten; vgl. Ndl. Wdb. V, 211; XIII, 657 en W. Dijkstra II, 362 a: hy wit fen 'e prins gjin kwea, hij is onnoozel in het geval; ook hy wit fen God gjin kwea. Vermoedelijk dagteekent de zegswijze uit den tijd, dat velen den Prins van Oranje hoog vereerden en geen kwaad van hem wilden hooren. Zoo kon van den prins geen kwaad zeggen de algemeene beteekenis aannemen van zich stil houden, niemand te na spreken, niets misdoen, en van den prins geen kwaad weten, doen alsof men geen kwaad kent, aan iets onschuldig zijn; argeloos zijn. Vgl. Pamfl. Muller, 662 (anno 1608), bl. 4 v: Wy hebben van den prins geen quaet geseyt noch daer en is niemant te na gesproken; Pers, 608 a: Rydende voorts totten Deken, Heer Adriaen van Zuylen, wierde hy (de Prins) met soodanige blijdschap onthaelt en verwellekomt, dat yder hem ten Hemel verheffende, niemant van de Prins hadde quaed geseyt; 669 b: Dan kost hy (broer Cornelis) wederom den smeerpot op de zyde hangen, als of hy van 't Prinsken geen quaet hadde geseyt; Middelb. Avant. 780: De oude Beul, die wegens zyne doofheid van de Prins geen kwaad wist. Tuinman I, 62 beweert dat de spreekwijze afkomstig is van Broêr Kornelis ‘die na 't uitbraaken van zyn dulle gal tegen den Prins van Oranje op den predikstoel, uit vreeze van toon veranderde en zeide: Ik ben bly, om dat ik van den Prins geen quaad gezegt heb; Harreb. I, 460 b; Ndl. Wdb. VIII, 652. (Aanv.) Syn. Hij doet net alsof zijn neus bloedt, hij houdt zich onnoozel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut