Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

priester - (geestelijke)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

priester zn. ‘geestelijke’
Mnl. priester, prister, preester ‘christelijk geestelijke met priesterwijding’ in als si mogen hebben couer uan priestre ‘als ze genoeg priesters kunnen krijgen (voor de biecht)’ [1236; VMNW], een preester ... alse hi misse doet [voor 1340; MNW gerwen], ook ‘niet-christelijk geestelijke’ in priesteren ende Levite ‘(joodse) priesters en levieten’ [1380-1400; MNW-R], vnnl. priester ‘geestelijke, voorganger’ [1599; Kil.].
Ontleend, wrsch. via een vulgair-Latijnse vorm *prester ‘priester’, aan Laatlatijn presbyter ‘ouderling, voorganger in de eerste christelijke kerken’, dat zelf ontleend is aan Grieks presbúteros ‘ouderling, voorganger’, ook bijvoeglijk gebruikt in de betekenis ‘ouder’, een vergrotende vorm van présbus ‘oude man’. Dit Griekse woord betekende wrsch. oorspr. ‘leider, hoeder van een kudde’, zoals ook pastoor oorspr. ‘herder’ betekende; het is dan gevormd met een voorvoegsel *pres- ‘voor, vooruit’, verwant met pará ‘bij, naast’ en pró ‘voor’, zie → pro-, van de wortel van boũs ‘rund’, verwant met → koe.
Ook os. prēstar, ohd. priester, prēstar (nhd. Priester); ofri. prēstere (nfri. preester, prester). Oe. prēost (ne. priest) gaat uiteindelijk ook op Laatlatijn presbyter terug, maar de fonologische ontwikkeling is onduidelijk (OED3).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

priester [geestelijke] {1236} < latijn presbyter (vgl. presbyter).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

priester znw. m., mnl. priester, os. prēstar, ohd. prestar, priestar (nhd. priester), ofri. prester(e) is een woord, dat na de nhd. klankverschuiving overgenomen is uit de frankische kerktaal en zich van Noord-Frankrijk verbreid heeft (Th. Frings Germ. Rom. 1932, 51. 2). — Wij moeten uitgaan van een romaans woord prēstre < lat. presbyter < gr. presbýteros ‘eretitel van het hoofd der gemeente’, eig. ‘de oudere’. — Het woord is ook de grondslag van fra. prêtre, maar oe. preost < vulg. lat. *pre(b)ost < lat. praepositus. On. prestr is uit het oe. overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

priester znw., mnl. priester m. = ohd. prêstar, priestar (nhd. priester), os. prêstar, ofri. prêster(e) m. “priester”. Een Christelijke ontl. (na de hd. klankverschuivingsperiode, vgl. prediken, proost, paus) uit een dgl. rom. vorm van lat. presbyter “id.” (gr. presbúteros “oudere”) als waarop ofr. prestre (fr. prêtre) “id.” teruggaat. Ags. prêost m. (eng. priest) “id.” (>*on. prestr m. “id.”) is een moeilijk te verklaren, ook op presbyter teruggaande vorm. Voor de ndl.-du.-fri lange vocaal vgl. oester en mnl. plaester (zie pleister), ook met vocaalrekking vóór st. Voor een dgl. rekking bij jongere ontl. zie beest.

[Aanvullingen en Verbeteringen] priester. Ags. prêost eer uit een fr.-rom. vorm van lat. prae- of pro-positus.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

priester. Ags. prêost zal eerder op lat. praepositus berusten (v.Wijk Aanv.).
Het continentale priester is ospr. een woord van de frankische, sterk onder rom. invloed staande kerktaal en heeft zich van Noord-Frankrijk uit verbreid. Hetzelfde geldt wsch. van aalmoes, meter I, peet, proost en vont. Frings Germ. Rom. 51 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

priester m., Mnl. id., Os. prêstar, gelijk Hgd. priester, Eng. priest, Fr. prêtre, uit Lat. presbyter, van Gr. presbúteros = grijsaard, compar. van présbus = oud.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

priester: geestelike; Ndl. priester (Mnl. priester), Hd. priester, Eng. priest, Fr. prêtre, hou verb. m. Lat. presbyter (kerkt.) uit Gr. presbuteros, “ouderling”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

priester (Romaans *prestre)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Priester, functionaris die belast is met het opdragen van de eredienst; in de katholieke kerk iemand die tot priester is gewijd.
Priesterlijk, als een priester; (fig.) zorgzaam.

In het Oude Testament worden heel wat priesters genoemd, mannen die onder meer zorgdroegen voor de tempeldienst. Zie bijvoorbeeld Genesis 14:18, 'En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste' (NBV). Het woord is vanuit het jodendom overgenomen voor de katholieke functie van priester, en wordt in het hedendaags Nederlands ook gebruikt voor vergelijkbare functionarissen in andere religies.

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 14:18. Mer Melchizedec de coninc van Salem bracht broot ende wijn voort. Ende hi was een priester Gods des alderhoochsten.
M.B.M. heeft van de politie de bijnaam 'bandiet' gekregen: een woordspeling op zijn functie van pandit, hindoestaanse priester. (NRC, mei 1994)
De vrouwelijke priester komt er niet, en van die leer wordt niet afgeweken, aldus de paus. (Journaal, juli 1994)
Ze loopt nog met d'r gieter rond; een echte plantenpriester. (Gehoord, jaren '90)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Priester, van ’t Lat. presbyter, en dit van ’t Gr. presbuteros, comparatief van presbus = oud.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

priester ‘geestelijke’ -> Sranantongo prister ‘geestelijke’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

priester geestelijke 1236 [CG I1, 26] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut