Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

priem - (puntig werktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

priem zn. ‘puntig werktuig’
Onl. als toenaam van Walterii Prim [1165; Debrabandere 2003]; mnl. priem ‘een scherp of gepunt werktuig’ in Sowie dat bin Middelburg draecht, knijf, priem ‘ieder die in Middelburg een mes of dolk draagt’ [1254; VMNW]; vnnl. priem ‘steekwapen, dolk’ [1573; Thes.], ‘puntig werktuig’ in (met) een priem ... oopen geboord [1681; WNT].
Mnd. preme ‘puntig werktuig, priem’; nhd. Pfriem; < pgm. *preu-ma-. Daarnaast met n-achtervoegsel pgm. *preu-na-, waaruit: mnd. prene; on. prjónn ‘breinaald’ (nde. pryne ‘naald, aalgeer’). Daarnaast misschien ook pgm. *preu-la- in mnl. pryel ‘dolk’ [1477; Teuth.] en nzw. pryl ‘priem; ding, spulletje’, al is dit laatste woord volgens Hellquist omgevormd uit pryn.
Verdere herkomst onzeker; men vergelijkt meestal Oudkerkslavisch prionŭ, Grieks priōn ‘zaag’, perónē ‘naald’, maar vanwege de Germaanse p- kunnen deze woorden niet op Indo-Europees niveau verwant zijn. Ontlening uit een van deze talen lijkt eveneens vreemd. Mogelijk behoort het woord bij → prik 1 en prikken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

priem1* [dolk] {priem(e) 1254} middelnederduits preme, prim, pren(e), middelhoogduits pfrieme, oudengels preon (engels preen), ijslands prjónn [breinaald]; mogelijk verwant met grieks priōn [trepaneerboor, zaag].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

priem znw. m., mnl. prieme, priem m., mnd. prēme m., mhd. pfrieme (nhd. pfriem). Daarnaast een vorm met n in mnd. prēne, prēn ‘priem’, oe. prēon ‘priem, gesp’ (ne. preen ‘kaarde’), on. prjōnn m. ‘breinaald’ (indien dit niet ontleend is aan oe.).

De etymologie is onzeker. 1. Men denkt aan ontlening, bijv. prjōnn over osl. prionu < gr. priōn ‘zaag, boor’ (Falk MM 1, 1909, 82) of anders < gr. perónē ‘naald’ (Schwyzer KZ 60, 1933, 231 vlgg.). — Men wil echter ook van een germ. woord uitgaan en herinnert dan aan nnoorw. prokka ‘in hout uitsnijden’, nnd. prōken ‘steken, porren, poken’. Maar ook dan zijn de mogelijkheden zeer gering, bijv. bij got. qairu ‘paal’ uit idg. *gu̯eru bij lat. veru ‘speer’, oiers bir ‘stekel, spies’ (S. Bugge ANF 22, 1906, 127), meer vernuftig dan overtuigend, dan wel men legt verband met lit. brukù, brùkti ‘met kracht ergens in steken’ (van Wijk IF 28, 1911, 126). — Zou men voor een gereedschap, dat sedert de oudste tijden gebruikt werd, bijv. reeds voor het aaneennaaien van huiden, niet mogen denken aan een substraatwoord?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

priem znw., mnl. priem(e) m. = mhd. pfrieme (nhd. pfriem), mnd. prême m. “priem”, germ. *preu-man-, waarnaast *preu-na(n)- in mnd. prên(e) m. “priem”, ags. prêon m. “id., gesp” (eng. preen “kaarde”), on. prjônn m. “breinaald” (waarbij wgerm. *priunian, mnd. prûnen “slecht en haastig lappen, varkens een ring door den neus halen”) en *preu-la- in Teuth. pryel “dolk”. Van dezelfde idg. basis br(e)u- kunnen ook komen serv.-ksl. brutĭ “clavus” en de basis bru-q-, waarvan o.a. bulg. bŭ‘rkam “ik steek in”, lit. brukù, brùkti “met kracht ergens insteken”, lett. brauklis, braukts “houten mes voor ’t reinigen van vlas”; zeer onzeker is de combinatie hiervan met russ. brykáť, brukát‘ “met de pooten achteruitslaan”; eer nog is verwantschap met gr. brū́kō “ik bijt” aannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

priem. Een woord, dat in aanmerking komt voor ontlening (vgl. aal II Suppl.). Schwyzer KZ. 60, 231 vlg. heeft inderdaad gedacht aan ontl. uit gr. perónē ‘naald’ of een jongere vorm daarvan. Voor de m < n zou pruim kunnen worden vergeleken, maar de ontw. peron- > *preon- is voorlopig een bezwaar tegen de gissing.
De in het art. voorgestelde combinaties, die het woord als echt germ. behandelen, zijn intussen ook niet zeer overtuigend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

priem 1 m. (werktuig), Mnl. priem, prieme + Mhd. pfrieme (Nhd. pfriem); daarnevens Agr. préon (Eng. preen), On. prjónn, verder Teuth. pryel, Zw. pryl + Osl, brutĭ = spijker, Lit. brukti = insteken: Idg. wrt.breu̯.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

priem ‘puntig werktuig’ -> Frans † prime ‘priem van de suikerraffinadeur’; Sranantongo prin (ouder: priem) ‘puntig werktuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

priem* puntig werktuig 1254 [VMNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut