Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prieel - (tuinhuisje van latwerk en groen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

prieel zn. ‘tuinhuisje van latwerk en groen’
Mnl. ‘kleine tuin, lusthof’ plachen praiele ende bade ‘pleinen, aangelegde tuinen en baden’ (over een tempel) [1285; CG II], prayeel ‘begroeid zitje (waar een maaltijd in wordt gehouden)’ [14e eeuw; MNW], van den mure van den proyele ‘van de muren van de lusthof, tuin’ [1343; MNW], in dit prayeel ‘op dit grasveld’ [1350; MNW]; vnnl. prieel ‘begroeid paviljoen in een tuin’ [1573; WNT].
Ontleend aan Oudfrans präel ‘kleine weide, omheinde ruimte’ [1080; Rey], later ook ‘binnenplaats’ [ca. 1165; Rey], later préau ‘id.’ [1373; Rey], hetzij afgeleid van Oudfrans pred ‘wei’ [1080; Rey], later pré ‘id.’ [ca. 1135; Rey] < Latijn prātum, hetzij ontwikkeld uit vulgair Latijn *pratellum ‘kleine wei’ of klassiek Latijn prātulum ‘id.’, verkleinwoord van klassiek Latijn prātum ‘wei(de)’, van onzekere herkomst, samenhangend met Iers raith ‘aarden wal’. Zie ook → prairie.
Wrsch. is oorspronkelijk de betekenis ‘kleine weide, grasveld’ ontleend en heeft zich hieruit alleen in het Nederlands de gangbare Middelnederlandse betekenis ‘lusthof, aangelegde tuin, paradijs’ ontwikkeld. Vanaf de 16e eeuw krijgt de betekenis ‘looftent, begroeid zitje’ de overhand, waaruit de huidige betekenis ‘tuinhuisje van latwerk en groen’ is ontwikkeld, te vergelijken met → pergola (MNW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prieel [tuinhuisje] {pra(e)yeel [grasland, boomgaard, bloementuin, lusthof, begroeid zitje] 1287, prijeel 1510} < oudfrans praiel < latijn pratulum, verkleiningsvorm van pratum [weide, het veld] (vgl. prairie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prieel znw. o., mnl. prayeel, proyeel, prieel o. ‘grasveld, lusthof’ < ofra. praiel, preiel (nfra. préau) < vulg. lat. pratellum voor lat. pratulum ‘kleine weide’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

priëel znw., o., mnl. prayeel, proyeel, prieel o. “grasveld, omheind stuk grasland, lustoord”, wsch. ook al “priëel”. Uit ofr. pra(i)el, pre(i)el (> lat. prâtellum; fr. préau) “grasland, weide”. Mnd. priêl o., in bet. = mnl. prayeel enz., wsch. uit het Mnl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

priëel. Voor de bet.-ontw. vgl. eng. arbour (‘grasveld’ > ‘bloementuin’ > ‘boomgaard’ > ‘priëel’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

priëel o., Mnl. id., uit Ofra. praiel (thans préau), dimin. van pré, Lat. pratum = weide; vergel. weesje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

prieel s.nw.
Latwerk met opgeleide wingerd, maar ook ander rankplante.
Uit Ndl. prieel (al Mnl.). Die Mnl. bet. was o.a. 'lushof, aangelegde tuin, lieflike oord, paradys', en in Ndl. 'oordekte somerhuisie'. Sowel Pannevis (1880) as Mansvelt (1884) vermeld slegs 'opgeleide druiwestok' as bet.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

prieel: – prinjeel – , (gew.) pergola v. druiwestokke, (maar ook) pergola v. rankplante; Ndl. prieel (Mnl. pra-/proyeel/prieel), uit Ofr. prail/preiel (Fr. préau, ouer ook prael/preel), “grasveld; lushof; speelplek”, uit Ll. pratellum, dim. v. pratum (v. prêrie) – van waar epent. n in Afr. prinjeel?

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Priëel, van ’t Ofr. praiei (thans préau), verkleinw. van pré, Lat. pratum = weide. Eig. dus: kleine weide. Vgl. ’t Mnl.: „Si ghinghen hem (= zich) meyen in een prieel; daer in stonden alrehande bloemen, in midden stont ene „clare fonteine” ende een boem (= boom), die scade (schaduw) gaf.” Die schaduw zal wel het overgangsbegrip gevormd hebben van weide tot tuinkoepel. Zie: Weesje.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prieel begroeid zitje 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut