Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pret - (plezier, vrolijkheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pret zn. ‘plezier, vrolijkheid’
Vnnl. pret ‘vrolijkheid’ [1600; WNT].
Vermoedelijk hetzelfde woord als mnl. perte ‘streek, list’; vnnl. perte ‘id.’ [1562; Naembouck], pratte, parte ‘verwaandheid, list, bedrog’ [1599; Kil.], nog West-Vlaams pret(te) ‘opschepperij, omslag, omhaal’, perte ‘gril, bui, luim, (malle) kuur, part’ (Debrabandere 2002). Verwant met → prat.
Oe. præt (Schots prat; ne. alleen de afleiding pretty); on. prettr; < pgm. *pratt- ‘streek, list’. Verdere herkomst onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pret* [plezier] {ca. 1600} mogelijk verwant met part2 [list, streek].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

pret

Er is een taaiverschijnsel dat men metathesis: omzetting noemt. Men duidt er mee aan dat klanken in één woord van plaats verwisseld zijn. Zo heeft men vers naast fris, gort naast grut, derde naast drie enz. Ons woord pret is ook door metathesis ontstaan uit perte, dat in het Middelnederlands bestond in de betekenis: slimme streek, list en dat nog voortleeft in de uitdrukking: iemand parten spelen. Bij perte behoorde het bijvoeglijk naamwoord pertig voor: flink, bijdehand, vlug, bevallig, vrolijk. Een gelijksoortige betekenisverandering heeft het Engelse woord pretty doorgemaakt, dat ook van slim is geworden tot aardig, lief.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pret znw. v. ‘pleizier’, eig. ‘drukte, rumoer’, kan een afl. van prat zijn. — Zie ook: part 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

part I (iemand parten spelen), mnl. perte v. “streek, list”, nog vla. perte “id.” Met metathesis uit pratte of *prette (vgl. barsten, gras). Hierbij mnl. pertich “flink, vlug, bijdehand”, Kil. pertigh (“Fland.”) “listig, slim”, vla. en Antw. pertig “eigenzinnig, grillig”, Antw. ook “slecht geluimd”, vla. ook “lief, fraai, bevallig, vlug en flink”. Kil. vermeldt naast parte, perte ook pratte. Voor pratte, parte geeft hij behalve “list” ook de bett. “arrogantia, audax facinus” op. Vgl. verder nog ndl. pret (ook oostfri.) en prat, mnd. pratte “eigenzinnigheid”, prattich, prat(ti)sch “eigenzinnig, nukkig” en ags. prætt, on. prettr m. “list, streek”, ags. prœttig, on. prettugr “listig, slim”. NB. eng. pretty “aardig, lief” heeft een dgl. bet.-ontwikkeling doorgemaakt als vla. pertig. ’t On. kent nog een ww. pretta “bedriegen”. Zie verder prat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pret v., hetz. als part 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pret s.nw.
Plesier, vrolikheid, jolyt.
Uit Ndl. pret (1600), wat verband hou met en deur metatesis ontstaan het uit part (Mnl. perte) 'streek, lis', in Afr. net in die uitdr. iemand parte speel 'iemand in die steek laat'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pret ‘plezier’ -> Duits dialect Pret, Prett, Prätt ‘(stil) plezier’; Papiaments prèt ‘plezier; grappig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pret* plezier 1600 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1780. Iemand parten (of een part) spelen,

d.w.z. iemand beetnemen; iemand een poets bakken, hem foppen; in Zuid-Nederland: iemand eene perte bakken (De Bo, 847 en Schuerm. 471). In het Middelnederlandsch bestond een znw. perte, in den zin van gril, kuur, poets, waarnaast ook parte voorkwam. Dit perte is met metathesis hetzelfde woord als pret en niet identisch met part (deelFranck-v. Wijk, 490.). Kiliaen citeert: Perte, parte, pratte, fallacia, dolus: argutia; pertigh, Fland., argutulus, fallax (vgl. mnl. gepertich); bij Van Moerk. 208 komt nog voor houbollige pretten. De uitdrukking wordt sedert de 16de eeuw aangetroffen; zie Van Lummel, 355:

 Doe ick Geertruydenberg had ingecregen,
 Speelde my geus daer eene parte tegen.

Vgl. verder Poirters, Mask. 161; Hooft, Ned. Hist. 365; 938; 1167; Coster, 66, vs. 1661; 91, vs. 314; Asselijn, 248 en 278; Tuinman I, 348; Harreb. II, 172; Ndl. Wdb. XII, 527; 1348, enz. Voor Zuid-Nederland vgl. Schuermans, 471 b; De Bo, 847 b: iemand eene perte bakken; perten hebben, zijne perten spelen; pertig, rank en bevallig (in welken zin ook gebruikt wordt prettig, vgl. eng. pretty), maar ook grillig, eigenzinnig; Schuerm. 459: paret, part, poets, snakerij; zijne paretten spelen; Rutten, 169: paret, aardig voorval; Antw. Idiot. 955: kwade perten, tooverkunsten; zijn perten spelen, pertig, gestoord, van kwade luim, eigenzinnig; bl. 1965: pertzak, iemand die vol perten zit; Waasch Idiot. 508.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut