Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prediken - (verkondigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

preken ww. ‘verkondigen; een preek houden’
Onl. predikon ‘Gods woord verkondigen’ in herro giuit wort predicodon (lees predicondon) ‘de Heer geeft het woord aan hen die preken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. prediken, predeken ‘Gods woord verkondigen’ in he predeken solde ‘(dat) hij moest gaan prediken’ [1200; VMNW], predeken ‘een preek houden, Gods woord verkondigen’ [1240; Bern.], ghinghen sie ... predicken in menegher stede [1285; VMNW], ook al de vorm preeken, preken in die xii apostelen ... hebben dit alomme ghepreect [1400-20; MNW], te preken mijn sermoen ‘mijn preek te houden’ [1440-60; MNW-R]; vnnl. prediken, preken ‘verkondigen, een preek houden’ in te scrivenne ende te prekenne vander maecht Mariën [1510; MNW], preken, prediken ‘een preek houden, Gods woord verkondigen’ [1599; Kil.]; nnl. preken ook ‘langdurig praten’ [1708; Sewel NE], ‘de les lezen, met allerlei raad lastigvallen’ in dat gepreêk en gewaarschouw [1793; WNT gepreek].
Oude Germaanse ontlening aan christelijk Latijn predicare ‘prediken, Gods woord verkondigen’ < klassiek Latijn praedicāre ‘openlijk bekendmaken, afroepen’, gevormd uit prae- ‘voort, voor’, zie → pre-, en dicāre ‘met nadruk zeggen’, frequentatief bij dīcere ‘zeggen’, verwant met -tijgen in → aantijgen. Uit de vorm predeken ontstond door syncope van -d- de vorm preken.
preek zn. ‘leerrede’. Mnl. predeke, predike ‘het preken, de verkondiging van Gods woord’ in hi ... was aue comen dis predekens ‘hij was opgehouden met dit preken (met deze verkondiging)’ [1265-70; VMNW], predike, sermoen ‘preek’ [1477; Teuth.]; vnnl. preke, prekinghe ‘preek, verkondiging’ [1599; Kil.]; nnl. preek ook ‘vermanende toespraak’ in die begon me daar een preek te doen [1840; WNT]. Zelfstandig gebruik van het werkwoord prediken; uit de vorm predeke ontstond door syncope van -d- de vorm preek. In het Oudnederlands bestond al het woord predigunga ‘prediking’ [10e eeuw; W.Ps.], een afleiding van het werkwoord predikon.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prediken [Gods woord verkondigen] {1200} < latijn praedicare [openlijk bekend maken, verkondigen, in chr. lat.: preken], van prae [voor] + dicere [zeggen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prediken, preken ww., mnl. prēdiken (laat-mnl. ook prēken), onfrank, predigunga en predicon, mnd. prēdiken, ohd. predigōn (nhd. predigen), ofri. predikere ‘prediker’, oe. predician ( > on. predika, of uit mnd.). — Een kerkwoord overgenomen uit mlat. predicare, lat. praedicare ‘openbaar bekend maken; luid mededelen’, dat eveneens overging in het romaans (ital. predicare, ofra. preëchier, nfra. prêcher > ne. preach) en in oiers pridchaim.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

preeken ww., mnl. prēdiken, laat-mnl. ook al prēken (dial. nog met ē, niet ê). = onfr. *prëdigon (znw. prëdigunga), prëdicon, ohd. prëdigôn, brëdigôn (nhd. predigen), mnd. prēdiken, ags. prëdician, on. prëdika “prediken”. Kerkelijke ontl. (vgl. priester) uit lat. praedicâre (> fr. prêcher > eng. to preach) “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

prediken, pre[e]ken. Ook ofri. blijkens het znw. prëdikere m. ‘prediker’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prediken o.w., gelijk Hgd. predigen, Fr. prêcher, uit Lat. prædicare = verkondigen (præ = voorop, verwant met pro: z. voor; — dicare van dicere = zeggen: z. tijgen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

preek: 1. (as s.nw.) kerklike, geestelike rede; vermanende (vervelende) aanspreking; Ndl. preek (Kil preke/prekinghe), Hd. predigt, uit Ll. pr(a)edica, “aanspreking”; 2. (as ww.) ’n preek (in albei bg. bet.) lewer; Ndl. prediken/pre(e)ken (Kil preken/prediken), Mnl. nog prēdiken maar reeds Lmnl. prēken, Hd. predigen, Eng. preach, Fr. prêcher, uit Ll. predicare uit Lat. praedicare, “aanspreek, bekend maak”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

prediken (Latijn praedicare)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Prediken, van ’t Lat. praedicare = verkondigen. Afl. is preek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

preken, prediken ‘Gods woord verkondigen’ -> Fries predikje ‘Gods woord verkondigen’; Negerhollands preek, predik ‘Gods woord verkondigen’; Sranantongo preiki (ouder: preki) ‘Gods woord verkondigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prediken Gods woord verkondigen 1200 [CG II1 Servas] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

400. Van de daken prediken (verkondigen).

Deze zegswijze, die openlijk, alom iets verkondigen beteekent, is ontleend aan den Bijbel, en wel aan Matth. 10, vs. 27: 't Gene ghy hoort in de oore, predickt dat op de daken. Men bedenke hierbij, dat de Oostersche huizen platte daken hadden, vanwaar men gemakkelijk eene menigte kon toespreken. In 't Mnl.: Dat ghi gheruunt hebt int ore, sal men predeken upt dac, dats overluut secghen (Mnl. Wdb. VI, 1703); A. Bijns, 136: Waerdt dat papen en muncken cranckelijck vielen, dat souden sij op de daken preken; De Brune, 385: Zoo haest hy hoort maer yemants lack, hy preeckt terstond dat op het dack; Wolff en Deken, C. Wildsch. VI, 159: Op de daken prediken; fr. crier, dire qqch sur les toits; hd. auf den Dächern predigen; eng. to proclaim from (upon) the housetops.

2179. Voor stoelen en banken preeken (praten, spelen),

d.i. voor een bijna leege kerk of zaal preeken of spelen; spreken zonder aangehoord te worden. Vgl. Westerbaen III. 701: Voor leege stoelen en houte banken preeken; Van Effen IV, 106; XI, 214: Voor stoelen en banken preeken; Harreb. I, 31 a; Het Volk, 5 Juni 1914 p. 1 k. 3: Landdagen dat waren voor menigen vrijzinnigen spreker die voor stoelen en banken sprak, dagen dat-ie 't land had; Antw. Idiot. 841 en Waasch Idiot. 449: veur de muren spreken; fr. jouer devant les banquettes; hd. vor leeren Bänken spielen; eng. to play to empty benches.

2477. Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen,

d.i. ‘als de onrechtvaardigen vrome dingen gaan doen, dan mogen de vromen wel op hunne hoede zijn’Laurillard, 40.; eene waarschuwing tegen een schijnheilige, ook ‘om zich niet tijdens gevaar door mooie praatjes in slaap te laten wiegen’ (Van Eijk II, nal. 55); vertrouw een huichelaar niet. Vgl. Hs. Cyrill. 12 r: Ic (raaf) bootscap u (hoenders) grote bliscap; want die vos is nonne geworden, die vos is gewijlt (gesluierd) ende singet in die kerc mit ynnigen loven; mlat. cum lupus addiscit psalmos, desiderat agnos; Cats I, 436: Wanneer een vos de passy preeckt, boeren wacht uw gansen; 469; 494; De Brune, 22: Wanneer de vos de passy preeckt, 't is tijd, dat ghy uw gans versteeckt; Gew. Weeuw. III, 40: Boer wacht jou ganzen; Tuinman I, 76; 336; II, 128; Adagia, 2: Als den Voss de passie preeckt, Boer wacht u Gansen, nemo tutius malus est quam sub pietatis infula; Harrebomée I, 68; De Telegraaf, 9 Januari 1915, p. 1 k. 4; Het Volk, 27 Febr. 1915, p. 7 k. 2: Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen! Nw. School, VII, 172; De Amsterdammer, 10 Mei 1914, p. 2 k. 2: t' Is M. Brusse geweest, die in 'n boekje ‘De Journalist’ speciaal over verslaggevers schrijvende, dezen heeft aangemaand niet te ‘litterair’ te doen. Dit was wel eenigszins de vos die de passie preekte; De Cock1, 237; fri. as de foks dominy is, mei de boer syn goezzen wol neigean; Joos, 193; Waasch Idiot. 724: als de vos de passie preekt, boerkens, wacht uw ganzen; Rutten, 268 a; Antw. Idiot. 1402; Eckart, 132; 550; Wander I, 1252; hd. wenn der Fuchs (die Passion) predigt, so hüte Eure Gänse, so nimm die Hühner in acht; wenn der Fuchs die Gänse beten lehrt, so friszt er sie zum Lehrgeld; syn. van wenn der Wolf psalmodirt, gelüstet ihn der Gänse; eng. when the fox preaches, look after your geese; fr. quand le renard prêche aux poules, prenez garde à vous; quand le diable dit ses patenótres, il veut te tromperVoorstellingen van zulk een predikenden vos vindt men meermalen in kerken; zie Th. Wright, Histoire de la caricature et du grotesque dans la littérature et dans l'art, trad. p.O. Sachot, chap. V, p. 76 vlgg.; P.H.v. Moerkerken, de Satire in de Nederlandsche kunst in de Middeleeuwen, bl. 192..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal