Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

precair - (onzeker, zorgelijk, hachelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

precair bn. ‘onzeker, zorgelijk, hachelijk’
Nnl. precair ‘onzeker’ in geenzins eene gratuite of precaire assumptie ‘bepaald niet een ongemotiveerde of onzekere aanname’ [1781; WNT Aanv. gratuit], ‘tijdelijk, tot wederopzeggens toe’ in een precaire vergunning [1909; WNT], daarom ook ‘onzeker, waarvan de afloop niet valt te voorspellen’ in allerhande ... precaire situaties [1935; WNT] en daarom soms ook ‘zorgelijk, hachelijk’ in de toestand van den patiënt is zeer precair [1938; WNT].
Ontleend aan Frans précaire ‘van onzekere duur of toekomst’ [1618; TLF], eerder al ‘slechts met tijdelijke autorisatie’ [1585; TLF], ouder precoire ‘id.’ [1336; TLF], ontleend aan juridisch Latijn precārius ‘afgebedeld, door gunst verkregen’ en dus ook ‘van willekeur afhankelijk’, ‘tijdelijk’ en ‘onzeker’. Het Latijnse woord is een afleiding van het werkwoord precārī ‘bidden, smeken, verzoeken’, bij prex ‘bede, verzoek’ en verwant met → vragen.
Bij Latijn precārius behoort het bijwoord precārio ‘uit gunst verkregen’, en dus ook ‘afhankelijk van gunst, tot wederopzeggens toe, onzeker’, reeds in de Romeinse tijd een juridische term voor ‘in tijdelijk gebruik’. Aan dit woord is de term precario, ouder precarie, ontleend, als bn. met de betekenis ‘tijdelijk, tot wederopzeggens toe’ [1642; WNT] en als zn. met de betekenis ‘tijdelijk bezit, tijdelijk gebruiksrecht’ [1347; MNW], [1738; WNT]; dit woord is vooral bekend in de samenstelling NN precariorechten ‘gelden geïnd voor een verleend precario’ [1928; WNT], met name de rechten die moeten worden betaald voor het wonen op grond die eigendom van de gemeente is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

precair [hachelijk] {1901-1925} < frans précaire [ter bede, onzeker, zorgelijk] < latijn precarius [afgebedeld, van anderer willekeur afhankelijk, precair], van preces (mv. van prex) [smeekbeden, verzoeken] (vgl. precario, precariehandel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

prekêr: onseker, gevaarlik; Ndl. precair (na Kil), Eng. precarious, uit Fr. précaire uit Lat. precarius (prex (gen. precis), “gebed, versoek”, + -arius, afl. v. ww. precari, “bid, versoek”).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

precair hachelijk 1909 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal