Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prangen - (drukken, knellen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prangen* [drukken, knellen] {1400} middelnederduits prangen, gotisch anapraggan [in het nauw brengen], middelhoogduits pfrengen, middelengels prengen, te vergelijken met pramen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prangen ww., mnl. pranghen ‘knellen, samendrukken’, Teuth. prangen ‘worstelen, vechten’, got. anapraggan ‘in het nauw brengen'; daarnaast nog mhd. pfrengen ‘persen, knellen, benauwen’, me. pranglen ‘drukken, benauwen’, en mnd. prange ‘hek, klem, schandpaal’ ( > zw. prang ‘nauwe doorgang’), mhd. pfrange ‘insluiting’ (nhd. pranger ‘schandpaal’), ne. prong ‘visvork’. — Ofschoon dit woord zowel west- als oostgerm. is en dus oud moet zijn, is het niet gelukt aanknopingen aan het idg. vast te stellen. Een duidelijk voorbeeld van de anlaut-pr, die ‘persen, drukken, knellen’ schijnt uit te drukken, evenals prakken en pramen.

De verbinding met gr. brógchos ‘keel’, bróchos ‘strik’ zou formeel aanvaardbaar zijn, maar het is onzeker of deze gr. woorden inderdaad uit het idg. stammen. — IEW 103 verbindt met lit. brañktas m. ‘gareelblok’, dat Kluge Mitzka 563 als ontlening beschouwt, evenals ital. branco ‘grendel’, alb. prange ‘blok om te boeien’, turks branka ‘ketting van de galeislaaf’. — Even onzeker is de verbinding met osl. pręg- ‘spannen’, prągu ‘juk’, die H. Kuhn ZfdMaf 28, 1961, 7 aanneemt, dan zou het woord met onverschoven consonant uit een onbekende idg. substraattaal zijn overgenomen. — Mnl. prange ‘stok met klem aan de punt’ leeft voort in het dialect van de Weichsel-delta als breng ‘beklemming’ (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 220).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prangen ww., mnl. pranghen “knellen, samendrukken”. = Teuth. prangen “worstelen, vechten”, mnd. prangen “id., nauw insluiten”, got. ana-praggan “in ’t nauw brengen”. Hierbij uit andere talen mhd. pfrengen “persen, knellen, benauwen”, meng. pranglen “drukken, benauwen”, zw. prång “nauwe steeg”. Mogelijk is verwantschap met gr. brónkhos “keel, strot” of met lett. brankti “vast aanliggend tegen iets”. De combinatie met lit. sprangùs “worgend” is niet aannemelijk; desnoods mogen we bij dit woord en obg. pręgą, pręšti “aanspannen” aan een idg. anlautvariant met (s)p- denken. Germ. praŋʒ- zal wel niet uit pram-ʒ- ontstaan en zoodoende van de basis van pram gevormd zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prangen o.w., Mnl. pranghen + Mhd. pfrengen, Go. praggan + Osl. pręgą = spannen, Lett. sprawgāt = insluiten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

prangen ‘drukken, knellen; zo scherp mogelijk bij de wind zeilen’ -> Engels † prangle ‘drukken, knellen’;? Duits prangen ‘zo veel mogelijk zeil opzetten zodat het schip koers houdt’; Deens prange ‘met meer zeilen varen dan dat de wind toelaat’; Noors prange ‘hard zeilen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prangen* drukken, knellen 1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut