Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pracht - (stralende schoonheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

pracht zn. ‘stralende schoonheid’
Vnnl. pracht ‘vertoon, gepraal’ in waer om brast gi doch sus dach en nacht mit ... grote pracht ‘waarom ben je toch dag en nacht zo aan het brassen, met groot vertoon?’ [1556; WNT zwaar I], ‘schoonheid, luister’ in Napels twelck ontveyst ... Door wutwendige pracht den inwendigen druck ‘Napels dat door uiterlijke schittering de innerlijke angst negeert’ [1600; WNT], ‘schitterend ding’ in overzeesche prachten ‘luisterrijke zaken van overzee’ [1622; WNT], ‘schoonheid’ in de pracht der taele [1639; WNT]; nnl. pracht ook in de vaste verbinding een pracht van ‘een heel mooi exemplaar’ in een pracht van een meid [1865; WNT].
Ontleend aan Duits Pracht ‘stralende schoonheid’, Middelhoogduits braht, praht ‘lawaai, geschreeuw; schittering, glans’, Oudhoogduits praht ‘gekraak, lawaai’ [8e eeuw; Pfeifer]. De grondbetekenis ‘gekraak, lawaai, geschreeuw’ heeft zich via ‘luidruchtigheid, dat wat de aandacht op zich vestigt’ ontwikkeld tot ‘dat wat schittert, prachtig is’ (Pfeifer); Toll. wijst nog op de betekenis van Litouws brëksta, brëksti ‘aanbreken (van de dag)’.
Mhd. braht, ohd. praht is ontwikkeld uit < pgm. *brah-ta-. Zonder -ta verwant met → breken; ook de oudste vormen met -t hadden als grondbetekenis ‘gekraak, lawaai, geschreeuw’. Misschien is er ook verband met → pronken.
Doordat Luther de voorkeur gaf aan de vorm pracht boven bracht, is in het Duits die laatste vorm verdwenen.
prachtig bn. ‘schitterend mooi’. Vnnl. prachtich ‘trots, hovaardig’ [1573; WNT], ‘pronkzuchtig, weelderig uitgedost’ in een prachtigh bruydegom [1635; WNT], ‘weelderig, kostbaar’ in haer prachtighe cleederen [1643; WNT]; nnl. prachtig ‘bijzonder mooi’ in dit prachtig jaergetij [1865; WNT], ‘aangenaam’ in prachtig vooruitzicht [1869; WNT]. Afgeleid van pracht met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pracht [praal] {1558 in de betekenis ‘hoogmoed’; de huidige betekenis 1569} < hoogduits Pracht, oudhoogduits braht, praht, oudsaksisch braht, middelnederduits, oudnoors brák, oudengels breahtm [gedruis, lawaai]; buiten het germ. latijn fragor [gekraak], middeliers braigim [ik laat een wind].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pracht znw. v., sedert Kiliaen < nhd. pracht v., beantwoordt aan mhd. braht ‘lawaai, geschreeuw’, ohd. praht, os. braht m. ‘lawaai’. — Verder verwant zijn os. brahtum ‘lawaai, menigte’, oe. breahtm ‘geschreeuw, woordenwisseling’, verder mnd. brak, mhd. brach, on. brak ‘gekraak, lawaai’. — lat. frango ‘breken’, fragor ‘gekraak, lawaai’, miers braigid ‘laat een veest’, t-air-brech ‘gekraak’, idg. wt. *bhreĝ (IEW 165), waartoe ook breken behoort. Er is geen reden een wt. *bhreĝ ‘breken’ van *bhraĝ ‘kraken’ te scheiden, daar beide betekenissen met elkaar in verband staan.

De overname van het hd. woord werd bevorderd door de zogen. Deux-Aes-Bijbel, die zelf uit het duits van Luther stamt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pracht znw., sedert Kil. Uit hd. pracht v. “pracht”; mhd., ohd. braht m. (later-mhd. ook praht v.) hebben nog slechts de oudere bet. “lawaai, geschreeuw”. Evenzoo os. braht m. “lawaai, gedrang” (mnd. bracht, brecht m. en in hd. vorm pracht m. v. = “pracht, heerlijkheid”) en brahtom m. “id.” = ags. breahtm m. “lawaai”. Deze woorden worden wel bij germ. breχw- “schitteren, flikkeren” (zie brasem) gebracht: deze bet. en die van drukke beweging staan dicht bij elkaar. Níet waarschijnlijker is de combinatie met russ. brecháť “schreeuwen, keffen, twisten, liegen”, serv. brèhati “kuchen, hoesten” (ch < qs).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pracht. Daar de oudste bet. ‘lawaai, geschreeuw’ is, ligt het meer voor de hand te combineren met mhd. brach, mnd. brak m. ‘gekraak, lawaai’, on. brak o. ‘id.’ en buiten het Germ. met ier. braigim ‘ik veest’, lat. fragor ‘gekraak’ (dat dan wsch. van frango ‘ik breek’ gescheiden moet blijven: zie breken), lit. braškėti ‘kraken, knetteren’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pracht v., Os. braht = gedruis + Ohd. braht, praht (Mhd. id., Nhd. pracht), Ags. breahtm; voorts verwant met prijken, Hgd. prangen en pronken (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

prag: glans, luister, praal; Ndl. pracht (Kil pracht), uit Hd. pracht; ouer bet. wsk. “gekraak, lawaai”, misk. verb. m. Lat. frangere, “breek”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pracht (Duits Pracht)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pracht ‘praal’ -> Deens pragt ‘praal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors prakt ‘praal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds prakt ‘praal’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pracht praal 1569 [Claes] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut