Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

praam - (schuit)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

praam2 [schuit] {prame, praem [open platte schuit] 1429} < middelnederduits pram < tsjechisch pram.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

praam 2 znw. v. ‘klein platboomd vaartuig’, in het Holl. sedert 1528 (Hoorn) bekend, bij Kiliaen prame. Maar het is veel ouder, want 1365 worden in Kampen pramkerlen genoemd en 1326 reeds de. pramekarle, vgl. mnd. prām m. ( > on. prāmr, nde. pram, nzw. pråm, praam), nhd. prahm (1287 prom en 1325 in Pirna prom). Waarschijnlijk de naam voor een boot van de Elbe-scheepvaart en overgenomen < tsj. prám ‘vaartuig’ < osl. pramǔ (een afl. van de idg. wt. *per, *por ‘overzetten’ (IEW 817).

De bezwaren van FW 519 tegen deze afl. worden door andere etymologen niet gedeeld. Inderdaad is het opmerkelijk dat een woord van de Elbe-scheepvaart zich langs de kusten van Noord- en Oostzee zo ver verbreid heeft, maar hier kan de Hanze de bemiddelende factor geweest zijn (oudste nl. plaats Kampen!). Er is dus geen aanleiding het woord uit nl. taalmateriaal af te leiden, al is de verklaring van Verwer, Ned. See-Recht van pramen ‘drukken’ ook verlokkelijk, indien men althans denken mag aan een voortgeboomde schuit. Maar een verbaal-nomen praam zou dan toch eerder de stok aanduiden om te pramen, dan het vaartuig zelf. — Uit het nl. > fra. prame (eerst 18de eeuw, Valkhoff 205), en ne. pram, praam (sedert 1390, Bense 302).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

praam znw. Kil. prame ‒ het demin. praemken wordt “Holl.” genoemd ‒, in ’t Holl. sedert 1528 (Hoorn) bekend. Te Kampen pramkerlen mv. reeds in 1365 = de. pramekarle (1326) “nautarum species”. Praam = mnd. prâm m. (nhd. prahm), laat-on. prâmr m., de. pram, zw. pråm, eng. prame (ontl.) “platte schuit”. Ontleening uit een in noord-Duitschland gebruikelijken vorm van oerslav. *pormŭ “schuit, pont” is niet aannemelijk, aangezien daar bezwaarlijk een vorm met ra te verwachten is; wel is wat den vorm aangaat ontl. uit. čech. prám “pont, platte schuit” mogelijk, maar zakelijk is dit niet wsch.: ontl. van een scheepsbenaming uit het Očech. via de Elbescheepvaart in de zeetaal der Oost- en Noordzeekusten is nauwelijks aannemelijk. Helaas is geen betere verklaring gegeven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

praam 2 v. (vaartuig), gelijk Hgd. prahm, Eng. prame, De. pram, uit Slav. (Osl.) pramŭ, van denz. wortel als varen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

praam ‘schuit’ -> Engels pram, praam ‘platboomd vaartuig’; Deens pram ‘schuit’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pram ‘schuit’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pråm ‘schuit’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins proomu ‘schuit’ ; Ests praam ‘veerpond’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans prame ‘schuit’; Portugees prama ‘oud oorlogsschip, in het bijzonder gebruikt op de Baltische Zee’ ; Pools prom ‘schip met platte bodem, pont’ (uit Nederlands of Duits); Russisch pram ‘schuit of vlot, of platboomd vaartuig, om vandaaraf schepen te kalefaten of voor andere werkzaamheden langs boord’; Esperanto pramo ‘veerpont’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

praam schuit 1429 [MNW] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut