Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

potig - (fors, gespierd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

potig bn. ‘fors, gespierd’
Vnnl. potig, pootig ‘koppig’ in een wyf pootigh uit der maate ‘een uitermate koppige vrouw’ [1642; WNT], later ook ‘gespierd’ in dat volk is zo pootig [1802; WNT].
Wrsch. oorspronkelijk een afleiding van dialectisch (Zaanstreek) poot ‘hoofd’, dat verband houdt met → pot 1; een vergelijkbaar betekenisverband bestaat tussen → kop 2 ‘hoofd’ en → kop 1 ‘drinkgerei’. Onder invloed van het zn.poot 1 ‘lichaamsdeel’ lijkt de betekenis te zijn veranderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

potig [gespierd] {1642 in de betekenis ‘koppig’; de huidige betekenis 1802} van dial. poot [hoofd], verwant met pot1.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

potig

In het Noordhollands bestaat nog steeds het woord poot in de betekenis: hoofd en speciaal: voorhoofd. Ook in het 17e-eeuwse blijspel Warenar, waarin Amsterdams wordt gesproken, komt het woord in die betekenis voor. Wil je dat ik je de poot insla? vraagt de vrek aan de kok. Het is verwant met pot: ketel, pan. Men spreekt immers ook van iemands hersenpan. Het Frans heeft tête uit Latijn testa: aarden pot. Van poot is afgeleid: potig dat dan ook eigenlijk betekent: hoofdig, koppig, eigenzinnig. Maar de huidige betekenis van potig is een geheel andere. Men verstaat onder potig immers: gespierd, krachtig, flink, stoer. Deze betekenisverandering is ontstaan doordat men in potig een afleiding zag van een ander woord poot, dat in gemeenzame taal heel gewoon is voor: hand. Men zegt: geef me de poot, of: hou je poten thuis. Ook in poot-aan spelen voor: de hand aan het werk slaan komt dit woord poot voor. Een potige vent is nu niet meer: iemand die koppig is, maar: iemand die poten aan zijn lijf heeft.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

potig bnw. in 17de eeuw pootig ‘hoofdig’ is een afl. van noordholl. poot ‘hoofd, voorhoofd’, ofri. pote v. ‘hoofd, schedel’, dat met pot samenhangt. De huidige bet. ‘gespierd, krachtig’ wijst echter op associatie met poot 1 (een man met poten aan zijn lijf!).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pootig bnw. Met wijziging van bet. en met volksetymologische spelling (naar poot I) uit 17.-eeuwsch po(o)tig “hoofdig”: van noordholl. poot “hoofd, voorhoofd” = ofri. pote v. “hoofd, schedel”. Verwant met pot (voor de bet. vgl. kop). Vgl. zw. dial. pottå “schedel, hoofd”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pootig bijv., eigenlijk koppig, van poot 3, door volksetym. in verband gebracht met poot 1.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

potig gespierd 1802 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut