Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

potent - (in staat tot geslachtsgemeenschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

potent bn. ‘in staat tot geslachtsgemeenschap’
Vnnl. potent ‘machtig, invloedrijk, het vermogen bezittend’ in den meinsche maeckte hy bouen al potent ‘de mens maakte hij machtiger dan alles’ [1548; WNT ors]; nnl. potent ‘potentie bezittend inz. seksueel vermogen’ [1957; Bos].
Ontleend aan Latijn potēns (genitief potentis) ‘machtig, invloedrijk’, letterlijk ‘kunnend’, teg.deelw. van posse ‘kunnen’, ouder Latijn potesse ‘kunnen, in staat zijn’.
Latijn po(te)sse is gevormd uit potis ‘vermogend, in staat’ en esse ‘zijn’, zie → zijn 1. Het bn. potis is verwant met: Grieks pósis ‘echtgenoot’; Sanskrit páti- ‘eigenaar, echtgenoot’; Avestisch paiti- ‘heer, echtgenoot’; Litouws pàts ‘echtgenoot’; Tochaars A pats ‘id.’; < pie. *poti- (IEW 842).
De huidige betekenis heeft zich gevormd onder invloed van het al langer bestaande impotent ‘niet in staat tot geslachtsgemeenschap’, zie onder.
impotent bn. ‘niet in staat een erectie te krijgen’. Vnnl. impotent ‘door lichaamsgebreken niet meer in staat zijn beroep waar te nemen, invalide’ in impotent was tlijf [1556; WNT rompel], ook in de afleiding impotentheijt ‘invaliditeit’ [ca. 1610; WNT verlaten I]; nnl. zelfstandig gebruikt impotent ‘invalide’ in dienste der ligte impotenten [1794; WNT verband], impotent “onvermogend, onmagtig, bijzonder tot het vaderschap; ziek, zwakkelijk” [1824; Weiland], ‘niet in staat een erectie te krijgen’ in impotente vrijers [1884; WNT voort I], ook overdrachtelijk in bijv. cultureel-impotenten ‘zij die niet in staat zijn cultuur te waarderen’ [1963; WNT verbeulemansen]. Ontleend aan Latijn impotens ‘onmachtig, machteloos, zwak’, letterlijk ‘niet kunnend, niet in staat’, gevormd uit → in- 2 ‘niet-’ en potens ‘machtig’, zie boven. In andere talen bestond de betekenis ‘niet in staat tot geslachtsgemeenschap’ al eerder, bijv. Engels impotent [1615; OED], Italiaans impotente [1476; DELI], Duits impotent [1750-1800; Pfeifer].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

potent [met seksueel vermogen] {1548 in de betekenis ‘vermogend, machtig’; de huidige betekenis na 1950} < latijn potens (2e nv. potentis), teg. deelw. van posse, (< potesse) [in staat zijn, vermogen], van potis, pote [in staat, machtig] → impotent.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

potent met seksueel vermogen 1961 [GVD] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut