Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poten - (een plant in de aarde steken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

poten ww. ‘een plant in de aarde steken’
Mnl. poten ‘planten in de grond steken’ [1240; Bern.].
Volgens Frings (1966) is dit woord ontleend aan Latijn imputāre ‘enten’, zie → enten. Deze betekenis bestaat nog in het Deens pode ‘enten’, Noors pote ‘id.’ (beide ontleend aan het Middelnederduits). Daarentegen is de betekenis ‘in de grond wroeten’ wrsch. inheems. Het gaat hier dus óf om twee verschillende werkwoorden, één van Latijnse en één van Germaanse origine, óf om één Germaans werkwoord dat later de betekenis van het Latijnse werkwoord erbij gekregen heeft.
Mnd. poten ‘poten, planten’; oe. potian ‘stoten’; nijsl. pota ‘porren, steken’, nzw. påta ‘peuteren; bezig zijn met’, nde. putte ‘(in)stoppen; naar bed brengen’; < pgm. *putōn-. Daarnaast me. putten ‘porren, stoten, steken, duwen’ (ne. put, zie → input) < oe. *putian-. Zie ook → peuteren.
Lit.: Frings 1966, 155

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poten* [planten in de grond steken] {1201-1250} oudengels potian, engels to put [duwen, steken, leggen], vermoedelijk van poot1, dus ‘met de hiel een gat maken om de stek erin te zetten’ (vgl. planten).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poten ww. mnl. pōten ‘in de grond steken, vastzetten, enten’, mnd. pōten, potten ‘poten, planten’ naast oe. potian ‘stoten, slaan’ en putian ‘plaatsen, leggen’ (ne. puť), nijsl. pota ‘steken’, nnoorw. pota ‘steken, boren’, nzw. pata ‘steken’. — Wegens de bet. in nl. en nd. kan men denken aan een ontlening aan lat. imputare, waarvoor zie: enten (Th. Frings Germ. Rom. 1932 168 vlgg. en Brøndal Substr. og Laan 174 vlgg.). Maar dit kan voor het woord in de andere germ. talen onmogelijk het geval zijn, aangezien de bett. hier veel algemener zijn. Nu is peuteren een iteratief van dit ww. en zo mogen wij wel aannemen, dat er stellig een oorspr. germ. ww. bestaan heeft (vgl. ook E. Nörrenberg Niederd. Jahrb. 71-3, 1950, 328-9, die dus alleen van een overname van betekenis wil spreken). Pogingen om het met idg. woorden te verbinden (zoals met oi. bunda- ‘pijl’) zijn weinig overtuigend. Wil men ook hier niet een klankwoord aannemen, dan is de herkomst uit een substraattaal te overwegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poot II (loot, stek), mnl. pōte v. “stek, poot”. = mnd. pōte (potte) m. v. Van het ww. poten, mnl. pōten “in den grond steken, vastzetten, enten”, mnd. pōten (potten) “poten, planten”, ags. potian “stooten, slaan” (hierbij ook eng. to put “leggen, steken”), ijsl. pota “steken”. Oorsprong onzeker. Een idg. bud- “steken” of “slaan” is van elders niet bekend. De combinatie met oi. bundá- “pijl” is een ongemotiveerd vermoeden. Ook is identiteit met de semantisch afwijkende basis, die bij puit ter sprake komt, niet aannemelijk. Zie nog peuteren, vooral ook porren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

poot II (loot, stek). Men beschouwt het ww. poten wel als ontleend aan lat. imputâre (vgl. enten); zo Brøndal Substr. og Laan 174 vlg., Frings Germ. Rom. 168 vlg. Met het oog op het geheel ontbreken van de technische bet. in ags. potian (eng. to put) is het misschien juister aan te nemen dat op het vasteland een germ. woord met het lat. woord is dooreengelopen en onder invloed daarvan is gespecialiseerd in betekenis. Een dergelijk verloop zou mede het afvallen van im- kunnen verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poten o.w., Mnl. id., gelijk Ndd. id., Mdd. pozzen, Ags. potian (Eng. to put), Zw. påta, De., No. pote: wel een echt Germ. w. verwant met peuteren, porren en pook 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poot II: ertappels, plante, steggies plant, d.w.s. in die grond sit om uit te loop en te groei; Ndl. poten (Mnl. poten), Eng. put, ouer bet. ong. = “steek, stoot”, hou ook verb. m. Ndl. poot, “loot, steggie, takkie”, reeds in dié bet. by Kil as pote en ook Eng. pote (nou veroud.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poten ‘planten in de grond steken’ -> Deens pode ‘planten in de grond steken; slijm bij patiënten afnemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pode ‘planten in de grond steken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poten* planten in de grond steken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut