Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poot - (been)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

poot 1 zn. ‘lichaamsdeel’
Mnl. pote, poet ‘poot, klauw’ in grijpt den visch in sijnen poet ‘(de roofvogel) grijpt de vis met zijn klauw’ [1287; VMNW], so lecket hi sines selues pot ‘dan likt hij (de hond) zijn eigen poot’ [1287; VMNW], ook ‘hand van een mens’ in al stac hi daer in sinen poot ‘al stak hij (de graaf) er de hand in, bemoeide hij zich ermee’ [1432; MNW]; vnnl. poot, poote ‘dierenpoot; mensenhand’ [1599; Kil.].
Herkomst niet helemaal duidelijk. Binnen het Germaans bestaat alleen een equivalent in het Middelnederduits: pote (later ook Hoogduits Pfote ‘poot, hand’ [16e eeuw; Kluge]); buiten het Germaans bestaan met dezelfde betekenis Provençaals pauta, Catalaans pota, Galicisch pota, pouta, Oudfrans pote, powe (waaruit Middelengels powe, Nieuwengels paw ‘poot’), alle teruggaand op vulgair Latijn *pauta. Mogelijk gaan al deze woorden terug op een ontlening aan een substraattaal. Het Nederlandse en Middelnederduitse woord kunnen ook aan het vulgair Latijn zijn ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poot1 [been] {pote, poot [poot, klauw] 1287} hoogduits Pfote, waarschijnlijk < laat-latijn ∗pauta; vgl. oudfrans poue (> engels paw), provençaals pauta, catalaans pota. De uitdrukking met hangende pootjes [nederig] slaat eig. op een hond die mooi zit en met hangende voorpootjes bedelt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poot 1 znw. m. ‘been’, mnl. poot, pôte m. v., mnd. (nederrijns; 14de eeuw) pōte, nhd. pfote v. Daarnaast komen ook vormen met ō < ô voor (W. de Vries Ts 38, 1919, 285). — Het woord komt op beperkt gebied voor; in Duitsland leeft het in Lotharingen en Luxemburg, tot aan de Rheinpfalz, verder van de Rijnmond in oostel. richting, maar het is geheel onbekend in het Oosten en Zuid-Oosten en zeldzaam in Baden, Wūrttemberg en Zwitserland. Dat wijst op een ontstaan in het Westen. Nu stemt de grondvorm *pauta met een gelijkluidend Romaans woord overeen, vgl. ofra. poue (> ne. paw), prov. pauta, katal. pota. Wij vinden reeds in de Romeinse tijd in het Zuidbelgische Arlon inscripties met de PN Pauto, Pauta, Pautina, alle behorend tot een daar wonende familie, die blijkens de vormen van andere namen als vóórkeltisch mag worden beschouwd. Er is dus geen aanleiding het germ. woord uit het keltisch of romaans af te leiden, daar beide teruggaan op een substraattaal (Th. Frings Germ. Rom. 1932, 179-180 en Zs. f. rom. Ph. 56, 1936, 371 vlgg., Weisgerber, Rhein. Mus. 84, 1935, 348). — Vla. poot > fra. main pote ‘stijf’, nu ‘gezwollen’, sedert de 12de eeuw (Valkhoff 204).

Hilmer, Schallnachahmung 1914, 203 heeft evenwel poot evenals pot uit een klankwoord pot af willen leiden, waarin hij door van Lessen WNT 12, 2, 3388 gevolgd is. Hij voert voor dit klankwoord alleen het lothr. pot aan ‘slag op de hand als straf voor schoolkinderen’; hier echter moet men natuurlijk juist denken aan een metonymisch gebruik van poot = hand! Men moet voorzichtig zijn met het aannemen van klankwoorden, die er onder de woorden met p-anlaut vrij veel zijn; van een klank pot is althans te zeggen, dat het weinig expressief is naast zulke als pats, paf en dgl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poot I (been), mnl. poot, pôte m. (v.). = mnd. nederrijnsch (14. eeuw) pôte, nhd. pfote v. “poot”. Uit denzelfden grondvorm als het synonieme ofr. poe (> eng. paw), prov. pauta. Wellicht van een in Frankrijk gebruikelijk vulgairlat. *pauta (oorspr. gall.? ligurisch?). Germ. oorsprong is ook mogelijk, maar er bestaat geen bevredigende germ. etymologie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

poot I (been). De geografie van het woord op du.-ndl. taalgebied (Frings Germ. Rom. 179) pleit niet tegen de hypothese van oude ontlening uit het Rom.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poot 1 v. (voet), Mnl. pote + Hgd. pfote + Ofra. poe (Eng. paw), Prov. pauta: het verband tusschen de Germ. en Rom. w. is niet klaar (z. pees 1.; ook poot 3).

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-poot -poat(sje) Onderdeel van een aantal vogelnamen zoals Geelpootmeeuw (voor de etymologie, zie aldaar), Geelpootruiter, Groenpootruiter, Roodpootvalk, fries Blaupoatsje, Tsjokpoat etc.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

poot (vulgair Latijn *pauta)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

poot . In Vlaanderen kent men volgens Mullebrouck (1984) de verwensing maakt u uit de poten! De verwensing duidt op boosheid en ergernis en geeft aan dat men een afkeer heeft van iemand. Een goed equivalent is ‘rot op’. Het gebruik van het voor mensen vulgaire poot geeft aan de afkeer een extra intensiteit. → moot, staart, vallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

poet (zn.) 1. hand 2. voet 3. poot; Vreugmiddelnederlands poet <1287> < Duits Pfote.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

poot s.nw.
1. Elk van die ledemate waarmee 'n dier voortbeweeg. 2. (plat) Voet of hand van 'n mens. 3. Elk van die steunsels van 'n meubelstuk of ander voorwerp. 4. (kwetsend) Polisieman.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. poot (al Mnl. in bet. 1, 1622 in bet. 2, 1793 - 1796 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel, wsk. vanweë die gebruik dat polisiebeamptes in stede per voet patrolleerwerk doen.
Ndl. poot uit D. Pfote.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

poot: een/zijn poot... trappen (trapte, heeft getrapt), (grove uitdr.) een been/voet... zetten. Me vrouw trapt nooit één poot buiten! schreeuwde Anansi woedend (Cairo 1976: 147). Uw zoon heeft misbruik gemaakt van onze gastvrijheid, vond Ma Erven. Hij trapt hier z’n poot niet meer, zei pa Erven (Rappa 1984: 95).
— : op poten, (scholierentaal) moeilijk, op niveau (thema, proefwerk). - Etym.: In AN alleen de uitdr. ’een brief op poten’ = een brief waarin men zich scherp uitdrukt t.o.v. geadresseerde.
— : pootjes baden (baadde, heeft gebaad), pootje baden. Oh, je bent hier, ik heb je overal gezocht. Radjen zei me dat je pootjes was gaan baden (Rappa 1984: 131).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poot I: liggaamsorgaan by diere, beantw. by mense aan “voet” en/of “been”; Ndl. poot (Mnl. poot/pōte), Hd. pfote, in ’n beperkte (Germ.?) gebied gebr. en blb. afkomstig uit die weste v. Eur. (v. dVri J NEW 539-540); wsk. verb. m. Eng. paw en Prov. pauta, maar nie noodwendig daarvan afkomstig nie.

pootjie I: 1. dim. v. poot I (q.v.); 2. ww., “iemand laat struikel” (deur bv.’n voet voor te steek onderwyl hy beweeg); WNT (XII 3408) behandel dit s.v. die ww. po(o)ten (v. ook Kem WFA 60), maar dit sou ook beskou kan word as ’n denom. ww., gevorm v. d. dim. v. poot I; Frank (TE 17, voetnoot 3) se gebr. van pootjie onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poot ‘been’ -> Engels † pote ‘(bont van) klauw van dieren’; Duits Pfote ‘been’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens pote ‘been’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pote ‘been’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments duna pochi ‘pootje geven (van hond)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poot been 1287 [CG NatBl] <Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

poot, afdeling of belangrijk onderdeel van een bedrijf. Sinds de jaren tachtig.

Groei valt ook te verwachten in sectoren waar Schuttersveld nog niet actief is, zegt Wolters. Daarbij valt te denken aan de aankoop van een nieuwe handelspoot. (Elsevier, 13/12/97)
Het concern heeft nu drie poten. De eerste poot is het in Denemarken gevestigde, maar vanwege het gunstige belastingklimaat, de stabiliteit en de soepele financiële regels in Nederland geregistreerde IKEA-concern. (HP/De Tijd, 09/10/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1730. Opspelen,

d.w.z. uitvaren, razen, op (zijn poot of zijn klomp) spelen, de beest spelen (Hoeufft, 436); zie Molema, 312 b; Harrebomée III, 53: Ndl. Wdb. XI, 1228; Kmz. 335; Lvl. 195; Sjof. 240; fri. opspylje. In het Zaansch opspeulen, ook opspeulen as de rook, erg driftig worden. In Zuid-Nederland is het eveneens bekend in den zin van ‘in gramschap over iets uitvaren’ en verschilt in het Westvlaamsch in bet. van op zijnen poot spelen, dat aldaar beteekent: lastig en moeilijk en onwillig zijn uit grilligheid (De Bo, 799 b; Joos, 92; Antw. Idiot. 907; Waasch Idiot. 491 a). Dit onderscheid wordt niet gemaakt door Schuermans, 439: Opspelen, ook op zijnen poot spelen of opspannen, in gramschap over iets uitvaren, tegen iemand opstaan. Waarschijnlijk is de eerste beteekenis van opspelen, hard op een muziekinstrument beginnen te spelen, te blazen, en vandaar levenmaken, razen, uitvarenDenk aan De Génestet's Arme Visschers: De (winden) opspelende in de pijp, vert. van: (le vent) soufflant dans son clairon; vgl. de pijpen stellen (zie Ndl. Wdb. XII, 1700), waarnaast bij Cats I, 428: de parten stellen..

1731. Opzitten en pootjes geven,

d.w.z. zeer onderdanig zijn, in alles gedwee zijn; eig. als een hond op zijn achterste pooten zitten (en pootjes geven); dit laatste toevoegsel is van jongeren datum. Vgl. Winschooten, 255: ‘Opsitten, dit woord werd ook op de honden ens. gepast, als sij op haar agterste pooten gaan sitten: het welk een groote onderdaanigheid beteekend: gelijk het ook daarom (oneigendlijk) tot die menssen werd overgebragt, die in alles de wil doen van die geene, wiens lijf eigens sij sijn.’ Vgl. verder Gew. Weeuw. III, 76; Tuinman I, 328: Hy zit op met hangende pootjes: dit zegt men van slaafsche menschenbehagers; Esopet, Napelsche Hengst, 7: U past het zwygen en opzitten, ons het heerschen; Halma, 476: Ik zal hem wel doen opzitten, ik zal hem wel tot reden brengen of gedwee maken. Eerst in de 19de eeuw is het latere toevoegsel er bij gekomen; vgl. Loosjes, Bronkh. 2, 147: 't Zou de eerste niet zijn, die eindelijk voor een wijf opzitten en pootjes geven leerdeAangehaald in het Ndl. Wdb. XI, 1424.; zie verder Jord. 248; Mgdh. 150; St. L. 2: Je vacantie thuis doorbrengen op dierbaren geboortegrond, opzitten en pootjes geven daar waar eens je wiegje stond; Nkr. I, 26 Mei p. 2: Eeuw aan eeuw hebt ge op haar commando in 't stof gekropen, opgezeten en 't mooie pootje gegeven; II, 15 Nov. p. 6; VII, 19 April p. 4; Nw. School, VII, 96; VIII, 214: Twee maanden lang heb ik me (bij eene sollicitatie) daar al die vervloekte peutermannetjes afgeloopen en opgezeten en pootjes gegeven.

1860. Op zijn (of den) poot spelen,

d.w.z. driftig worden, uitvaren, razen; oostfri. up sîn pôt spölen; eene in Noord- en Zuid-Nederland algemeen bekende uitdrukking; zie Harreb. II, 194; Nkr. II, 15 Maart, p. 3; 22 Maart, p. 4; 29 April, p. 6; III, 19 Dec., p. 4; VII, 29 Maart, p. 4; Ppl. 182; Sjof. 240; B.B. 148; Kalv. I, 149; V.v.d.D. 132; Kippev. II, 43; De Bo, 884 b; Schuermans, 501 b; Joos, 92; Waasch Idiot. 532 a; Antw. Idiot. 989; fri. op 'e poat spylje. Het is niet duidelijk wat men onder het znw. poot moet verstaan. Vergelijken we andere synonieme, op dezelfde wijze gevormde uitdrukkingen, als het fri.: hy spilet op 'e koker (de keel); hy spilet op 'e klompen; het gron. op zien klomp speulen (Molema, 206; 312); op de mondharp spelen (Harreb. II, 99 a; Molema, 269 a); op zijne liere spelen (De Bo, 631 b); op zijn zeefde (zeef) spelen (De Bo, 1420 b); op zijnen hiel spelen (Antw. Idiot. 1759); op zijn kloon (klomp) ruischen (wrijven; Antw. Idiot. 670), die alle beteekenen: uitvaren, slecht geluimd zijn, dan is het niet onwaarschijnlijk, dat we onder poot moeten verstaan hand, en de uitdr. op zijn poot spelen (Harrebomée, III, CXXIV b) moeten beschouwen als eene komische navolging, die eig. wil zeggen: met zijn handen spelen (vgl. Waasch Idiot. 631 a; Schuermans, 654 a; met zijnen kop (of zijn hoofd) spelen, koppig zijnVercoullie, 226 denkt naar aanleiding van deze Vlaamsche uitdrukking aan poot in den zin van hoofd; vgl. ons bijv. naamw. pootig, eig. koppig en het dial. fri. poatte, voorhoofd, ofri. pote (Boekenoogen, 781)., met de been spelen, het hazenpad kiezen (Rutten, 20), er met zijn poot op zitten (Harreb. II, 194 a), er opslaan; en vandaar: uitvaren, opspelen (zie no. 1730), opspannen (Antw. Idiot. 907), op 'e fûsten blieze, zooals de Friezen zeggenIn het Fransch kent men ook een dergelijk gebruik van het wkw. jouer, blijkens uitdrukkingen als jouer de la poche, geld uitgeven (Halma): jouer des talons, vluchten; jouer des mains, vechten; jouer du pouce, geld betalen (vgl. duimkruid); enz. Hoeufft, 473 meent te moeten denken aan paarden, die op hunne achterste pooten gaan staan, doch vermeldt tevens, dat hij wel eens in denzelfden zin heeft hooren zeggen op zijne vingers spelen, dat ook opgegeven wordt door Harrebomée II, 381 b. Anderen denken aan een hond, die tegen iemand opspringt..

1861. Op zijne achterste pooten (of beenen) gaan staan,

ook op zijne achterpooten gaan staan, ‘eig. van een steigerend paard gezegd, maar overdrachtelijk, in gemeenzamen stijl, van personen voor: opvliegen, in drift geraken, zich driftig tegen iets verzetten’; Ndl. Wdb. I, 707; Schoolm. 16; Al stond hij ook op zijn achterste pooten; Het Volk, 15 April 1913, p. 6: We moeten maar eens op de achterste pooten gaan staan; Nkr. VII, 19 April, p. 4; De Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 4: De parlementariers staan op hun achterste pooten in het aangezicht van de overheid; Handelingen Stat.-Gen. 1912-1913, p. 2922: Voor de belangen van de geneeskundigen zit hij te sidderen, wanneer dezen op hun achterste beenen gaan staan; Het Volk, 15 April 1913, p. 6: De heer L. betoogde dat de arbeiders op hun achterste beenen moeten gaan staan; Prikk. V, 11; Onderm. 28. Vgl. het mnl. over ende staen, overeind staan, zich verzetten; fri.: hy giet op syn efterste poaten stean; Draaijer, 1 a; Opprel, 44 a; V.d. Water, 49; Onze Volkstaal, II, 77; Rutten, 187: zich richten (vgl. fr. se dresser), zich storen; in Kl. Brab. zich rechten, zich zetten; hd. sich auf die Hinterbeine stellen; eng. to stand on the hind-legs; fr. se cabrer; monter sur ses ergots.

1862. Op zijn pooten (of pootjes) terecht komen,

d.w.z. goed terecht komen; goed afloopen; eig. gezegd van de kat, die bij een val of een sprong altijd op haar pooten terecht komt. Zie Goedthals, 37: Op syne pooten vallen, cheoir sur ses pieds, comme un chat; Prov. Comm. 682; Haagsche Reize, 109: Daar nu alles gelukkig op zyn koten neder quam; E. Wolff-Bekker, De Gryzaart: Was er eens wet met jongelui te doen, wel, hy bezurgde het dat het op zen poten neêr quam; Harreb. II, 193: Het komt op zijne pooten neêr; Nkr. VII, 29 Maart, p. 2; Het Volk, 15 April 1914, p. 1 k. 1: Het burgerlijk tooneelspel, waarin alles op zijn pootjes terecht komt; Heijermans, Ghetto, 66: Alles komt op zijn pootjes terecht; Ndl. Wdb. VII, 1786. In Zuid-Nederland beteekent op zijne pooten vallen ook: altijd zijn antwoord gereed hebben (Schuermans, 772 a; De Bo, 884 b). Zie verder Joos, 84: hij slacht de katten, hij valt altijd op zijn pooten; bl. 31: dat valt op zijn pooten gelijk de katten, dat komt juist uit; Waasch Idiot. 532 a: al wat hij doet, valt op zijne pooten, lukt; vgl. het hd. die Katze fällt auf die Füsze (Schrader, 183); fr. retomber sur ses pattes ou ses pieds, se tirer d'un mauvais pas d'affaire (Hatzf. 1697; 1736); eng. to fall on one's feet or legs, to get well out of difficulty.

1863. Op (zijne) pooten staan,

dikwijls met het adv. goed, flink van een geschrift gezegd, dat scherp en goed opgesteld is; vgl. Vondel, Aenl.: Het vaers trecke den aert van een vaers aen, en sta wacker op zijne voeten; Winschooten, 340: Dat staat op sijn voeten, dat is, soo als het behoord; Langendijk, Wisk. 103 (Panthéon): Dat is geen antwoord, dat repliek staat niet op pooten; Sewel, 902: Die reede staat op voeten, that discourse is well grounded; Het Volk, 2 Jan. 1914, p. 5 k. 1: En 't schrijven staat goed op zijn pooten; Nkr. III, 21 Maart, p. 4: De referaten zijn geleerd, de eerste staat op pooten; VIII, 26 Sept. p. 2: Neen, het was een profetie, die, om zoo te zeggen, op pooten stond; Kippev. I, 271: Ik verzeker u dat dezelve (een aanklacht) op pooten staat. In het hd. der Brief hat Hand und Fuss; fri. goed op foetten stean, goed gesteld (van een brief, opstel) naast dat stiet goed op syn poatten. Hiervoor in de 18de eeuw op zijn koten staan; zie Spaan, 203; Halma, 281: Dat werk staat op zijne kooten, c'est ouvrage est bien solide ou se soutient bien; men moet redenen bybrengen die op haare kooten staan, il faut alléguer des raisons solides ou des raisons concluantes. Iets op zijne pooten zetten beteekent: iets behoorlijk in orde en verband stellen (De Bo, 884 b; Waasch Idiot. 532 a; Antw. Idiot. 989; Nw. School, VI, 155: Toch moet de heer Verburg aan de slag, om de zaak er goed op poten te zetten; VIII, 113: De heer L. zet het hele kristelike leerplan op poten). Syn. dat staat op zijn beenen (Tuinman I, nal. 20).

1864. Op hooge pooten (of beenen) ergens heen gaan,

d.w.z. opgewonden, verontwaardigd ergens heen gaan; met veel zelfvertrouwen aankomen, meestal om iemand op hoogen toon terecht te zetten. De houding, die iemand daarbij aanneemt, maakt dat men hierbij van ‘hooge beenen’ spreekt. Zie Ndl. Wdb. II, 1306; VI, 1003; Molema, 527: Op hooge bijnen gong hij d'r hen, zooveel als: hij spoedde er zich met drift naar toe, met zekeren trots; of uit kwaadheid, b.v. om iets te beredderen, of: om rekenschap te eischen; Kalv. I, 53: Toen hij hier op hooge pooten heen kwam en over de herrie aan zijn deur klaagde; Sjof. 191: De kerel was op hooge pote naar den baas gegaan, had zich beklaagd, hij had geen onderkomen.

1865. Met hangende pootjes,

d.w.z. deemoedig, ootmoedig, nederig, vooral in de uitdr. met hangende pootjes bij iemand komen, - terugkomen; vooral van iemand die gedwongen is zijn tegenstand op te geven; eig. gezegd van een hond, die met hangende pootjes opzit om iets te vragen, te bedelen. Vgl. De geestige werken van Aern. v. Overbeke (anno 1678), bl. 131:

Horatius, die in
 Lollius sijn witte-brootjes
 Sulcken smaeck en voedtsel von,
 Dat hy wel met hangend' pootjes
 Voor hem fraey opsitten kon.

Halma, 205: Met hangende pootjes opzitten, demander quelque chose de quelqu'un avec toute sorte d'humiliation; Sewel, 316: Met hangende pootjes opzitten (soebattenDit soebatten is gevormd van het Maleische sobat, vriend, en wil eig. zeggen steeds het woord sobat in den mond hebben, en vandaar vleiend vragen; zie Veth, Uit Oost en West, 28 en vgl. no. 1399.), to submit, to be a good child, to do what one is bid; Harreb. II, 194: Hij zal wel met hangende pootjes terugkomen; V.v.d.D. 51: Die andere jatters (dievenVgl. barg. jatten, stelen, van hebr. jad, hand.), die werden soms door hun moeder nog beklaagd zelfs, wanneer z'n paar dagen aan de zwerf waren geweest, om thuis weer met hangende pootjes aan te komen; Ten Doornk. Koolm. II, 748 a: mit hangende poten (od. pôtjes) kamen naast met slepende peken weerkamen (Dirksen, I, 76. Syn. met hangende oortjes in De Telegraaf, 2 Febr. (avondbl.) 1915, p. 2 k. 2: Met hangende oortjes terugkeeren naar het vaderland. Harreb. I, 342 geeft als syn. hij komt met hangende wieken thuis.

1866. Het pootje hebben (of krijgen),

d.w.z. het podagra hebben, voeteuvel, jicht hebben, poteres zijn (17de eeuw). Zie Halma, 513: Pootje, de jicht in de voeten, voeteuvel; hy heeft al drie weeken aan 't pootje gelegen, il y a trois semaines que la goutte aux pieds lui fait garder le lit; Sewel, 647: Hy heeft het pootje, he has the gout, he has a fit of the gout; V. Janus, 315: Maar nooit denk ik daar met zoo veel deelneming aan, dan wanneer ik zelf met het lastige pootjen gekweld ben. Evenwel, wanneer de pijnen al te hevig worden, dan vergaat mij die deelneming ook wel eens: want het hemd is nader dan de rok, en mijn podagra is mij nader dan ulieder lamheid; fri. it poatsje habbe; Houben, 115. In Vlaanderen (te Eecloo) en Kl. Brab. zegt men hiervoor het beestje hebben; te Kortrijk: de kozijntjes of het kozijn hebbenZie Zeitschr. für D. Altert. LIII, 140.; Land v. Waas: met familie zitten (de jicht hebben); zie Schuermans, 36 b; 285 a; Waasch Idiot. 213 a; 98 a en De Cock, Volksgeneeskunde, 312.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut